Ik werd vanochtend wakker en had het begin in mijn hoofd

Hij had zijn leven lang gewerkt aan het opknappen van verpauperde woningen. Met wat zo’n beetje zijn laatste ademtocht moest zijn, bekende hij dat hij zo graag eens een nieuw pand had gebouwd, een eigen woning, zodat over honderd jaar of meer anderen zijn bouwsel zouden kunnen restaureren.

‘Maak er wat van jongen,’ zei hij met omfloerste stem. ‘Beloof me dat je je dromen waarmaakt.’

Ik had natuurlijk ja gezegd, want aan een sterfbed zeg je nu eenmaal geen nee, al wist ik dat mijn belofte de facto een leugen was. Dromen najagen, ik had wel wat beters te doen. Je wilt zo’n man toch een goed gevoel meegeven, dacht ik toen nog. Als ik had geweten wat hij in die lange laatste ademtocht nog allemaal aan mijn moeder zou opbiechten, had ik hem waarschijnlijk niet alleen een resoluut nee verkocht, maar ook met liefde een kussen in zijn smoel geduwd.

Op naar de waterval. Of het naaktstrand.

Als een verhaal kabbelt, is dat meestal geen goed teken, zeker als het ’t begin van een verhaal betreft. De openingsscène moet eigenlijk meteen boeien, uitnodigen om verder te lezen. Dat betekent niet dat het heftig of groots hoeft te zijn. Een verhaal kan heel voorzichtig beginnen. Dan lijkt het water te kabbelen, maar gestaag wordt de stroming sterker, tot je weet dat er verderop een waterval van Niagara-achtige proporties zal volgen. In zo’n geval is kabbelen niet erg. Doorgaan met het lezen van “Op naar de waterval. Of het naaktstrand.”