Berichten

De nagedachte

Voor de liefhebbers van korte verhalen: op website van Edge-Zero kan vanaf heden een prachtselectie aan genreverhalen van het afgelopen jaar. Onderstaande link leidt naar een verhaal van mijn hand: ‘De nagedachte’.

http://www.edge-zero.com/2016/de-nagedachte-frank-norbert-rieter/

Ik schreef het voor de Harland Awards 2015. Daar haalde het een 23ste plaats. Een mooi getal, maar het leidde nog niet tot publicatie. Nu wel, want bij Edge Zero selecteerde uit verhalen die in 2015 aan een wedstrijd deelnamen de beste inzendingen en publiceert de top 15. Er verschijnt een bundel op papier, een e-book en de verhalen worden dus ook online gepubliceerd.

Doel van de wedstrijd is wat mij betreft in de eerste plaats: gelezen worden. Edge Zero laat zien wat er aan kwaliteit in de Lage Landen geschreven wordt en een breder lezerspubliek verdient. Dus, je doet me een groot plezier als je het zou lezen, en waar mogelijke ‘liken’ en delen.

De fervente lezer wordt ook nog van harte uitgenodigd om zijn of haar stem te laten horen bij de organisatie. Stuur hen een email met daarin de top 3 en een paar regels toelichting waarom deze verhalen er uitspringen. slush@edge-zero.com

Advertenties

Tien tips voor het jureren van de Harland Awards voor Verhalen

Het lijkt soms wel alsof schrijvers niets anders te doen hebben dan elkaar te voorzien van al dan niet goede adviezen in de vorm van lijstjes met schrijftips. Lijstjes met tips voor juryleden van schrijfwedstrijden heb ik nog niet vaak gezien, terwijl de jurering van de volgende editie van de Harland Awards aanstonds van start gaat. Ik bladerde de juryrapporten van afgelopen jaren nog eens door en las vele waardevolle adviezen, maar ook wel een aantal zaken waarvan ik dacht: dat zou een volgende keer beter kunnen. Gesterkt door mijn ervaring als deelnemer (en niet gehinderd door enige ervaring als jurylid) geef ik hierbij mijn adviezen aan de nobele lieden die dit jaar voor deze jureer-marathon staan.

Beste juryleden:

  1. Anoniem is anoniem. Ga niet raden naar de leeftijd, de ervaring of de sekse van de auteur. U heeft het meestal mis en de adviezen die er uit voortvloeien bleken in het verleden niet zelden mallotig. Het is natuurlijk prima als u af en toe schrijft ‘dit verhaal komt over alsof de auteur’. Dat is precies hoe je dat volgens de regels van feedback moet doen. Maar als die formulering er bij ieder verhaal weer insluipt… ga bij uzelf te rade of u niet iets teveel met de mogelijk auteur bezig bent en wat te weinig met het verhaal.
  2. Lees aandachtig, bij voorkeur ook hardop. Proef de taal en geniet van mooie zinnen. Er is de afgelopen jaren in de juryrapporten maar heel erg weinig aandacht besteed aan de stilistische kwaliteiten van de verhalen. Mijn persoonlijke verzoek: breng daar verandering in.
  3. Bewaar uw gevoel voor humor. Jureren is een serieuze zaak. Schrijven ook. En voor dat u het weet, herkent u een grappig bedoeld verhaal niet als zodanig. Een overdrijving. Een ongerijmdheid. Een onwaarschijnlijke plotwending. Genadeloos neergesabeld door een jurylid met een al te serieuze bril op. Als u na het lezen van alle inzendingen niet één grappig verhaal bent tegengekomen, herlees dan nog een keer het verhaal dat u het slechtste vond en herlees het alsof het als parodie bedoeld is.
  4. Wees moedig en vecht tegen de middelmaat. Eén veelgehoorde klacht over wedstrijden met een brede juryselectie is dat juist de echt bijzondere verhalen buiten de boot vallen. De winnaar is niet het beste verhaal, maar het verhaal waar alle juryleden het minste mee mis vonden. Ik denk, als ik terugkijk naar de winnaars van de afgelopen jaren, dat dit effect bij de Harland Awards niet sterk optreedt, maar waakzaamheid is geboden. Werk aan consensus, terwijl u blijft vechten tegen het bloedeloze compromis.
  5. Wees mild en negeer de eerste fout die u tegenkomt, zeker als dat een typefout is. Als u dat niet doet, zult u in de rest van de tekst alleen maar op zoek gaan naar meer bewijzen van onvermogen van hetzelfde type en de mogelijke kwaliteiten van het verhaal missen. Als de eerste fout kenmerkend is voor de kwaliteit van het verhaal, zal dat toch wel blijken, ook als u niet actief naar dat type fout op zoek gaat.
  6. Negeer de genreaanduiding van de auteur. Om mij onduidelijke redenen heeft de organisatie gevraagd aan de inzenders om het genre op te geven. Ik raad u aan om hier in het geheel niet over na te denken. Een verhaal is goed of niet goed. Een slecht scifi verhaal dat wel lekker scifi is, is nog steeds een slecht verhaal. Of het een ‘genreverhaal’ is weet u toch wel. U kunt het ruiken, zonder dat het verder geclassificeerd hoeft te worden. Laat u niet afleiden door genredefinities.
  7. Blijf hoopvol zoeken naar wat er goed is in een verhaal. Ja, er wordt veel rommel geschreven. Bij ieder verhaal is wel wat mis, maar bedenk dat schrijvers ook heel veel leren als iemand ze wijst op hun krachten en kwaliteiten. Het leven van een jurylid is denk ik ook leuker als u niet teveel verzuurt door een misantropische leesbril.
  8. Wees niet al te ijdel. Als u bij ieder verhaal de neiging heeft om commentaar te geven in de trant van ‘Dit idee is door Asimov al veel beter uitgewerkt’, bedenk u dan dat we in een postmoderne tijd leven. Het is allemaal oude wijn in nieuwe zakken. Natuurlijk is het goed om schrijvers tot lezen aan te sporen. Maar waak voor ‘name dropping’ en een overdreven tentoonspreiding van uw eigen eruditie.
  9. Laat uw stokpaarden liever thuis. Het grote inzicht of leerpunt dat voor u een belangrijke stap voorwaarts in uw schrijfcarrière betekende is niet altijd het goede advies waar iedere andere schrijver het meeste aan heeft. Het is ook niet de beste meetlat om alle verhalen van één wedstrijd langs te leggen. Als u bij het schrijven van uw jurycommentaar hetzelfde advies aan vijf schrijvers op rij geeft, neem dan even pauze en schakel over van koffie op iets alcoholhoudends.
  10. Opereer zelfstandig en discretionair. Ongetwijfeld krijgt u van de organisatie enige richtlijnen. Zeker zult u benieuwd zijn naar wat andere juryleden te melden hebben. Wellicht zullen er op facebook wel weer wat discussies ontstaan over hoe er gejureerd zou moeten worden. Maar het mooie is: u brengt als jurylid uw eigen, unieke visie en ervaring mee. Vertrouw daar op. Alleen als u zelfstandig en eigengereid een oordeel vormt en u niet laat leiden door welk ander advies dan ook (deze tips incluis), zal de optelsom van alle juryoordelen leiden tot het beste verhaal als winnaar van de wedstrijd.

De geboorte van een personage

Veel van mijn personages sluipen keer op keer meerdere verhalen in. Aloïs Hartman was ooit kleine bijrol toebedeeld in Het lichte hart van de mastodont. Niet lang daarna schitterde hij in de eenakter/novelle De tweede man en inmiddels wacht het manuscript van De dundenker op publicatie. Maximiliaan Lex staat komende maand op het podium in een stuk dat zijn naam draagt De inkeer van Maximiliaan Lex. Ook zijn verhaal ‘grew in the telling’, zoals dat gezegd wordt.

Voor wie naar het stuk komt kijken, of wie mijn werk volgt, hieronder een reconstructie van de wording van Maximiliaan Lex.

Het eerste optreden

Ik schreef een droom. Het fragment werd onderdeel van een roman in wording met als werktitel ‘dromen van de dodenman’ of zoiets. Dat was begin jaren ’90. Ik schreef het nooit af. Ik stopte ruim tien jaar met het schrijven van proza en richtte me met name op theaterteksten. Toen ik in 2007 opnieuw begon te schrijven aan een roman (project ‘Gordon Hauspie’) slopen daar steeds meer thema’s in van het werk dat ik lang daarvoor terzijde had gelegd. Ik pakte het erbij. Schrapte de meeste hoofdstukken, en behield één fragment, dat uiteindelijk integraal in Het licht hart van de mastodont terecht kwam. In dit fragment doet Victor Hauspie (hoofdpersoon, de ik-figuur) de deur open;

Ik loop naar de voordeur. Door het matglas zie ik twee heren staan. Jehova’s? Of buren? Misschien iemand van de verbouwing?

Op het moment dat ik open doe realiseer ik mij dat mijn haar ongekamd is en dat ik misschien wel stink ook. Een nare kater kruipt vanuit mijn nekwervels verder omhoog mijn hoofd in. Een satéprikker met weerhaken doorsteekt mijn rechter hersenhelft.

Goedemorgen, wil ik zeggen, maar mijn schrale keel brengt geen geluid voort. Ik hoest. Blijkbaar heb ik genoeg aansporing gemaakt om ze aan het praten te brengen.

‘Victor,’ vraagt de ene man. Hij heeft een bruine regenjas aan.

‘Bent u van de politie?’ vraag ik. Boven mij, op het dak, klinkt bikken van hamers op stenen.

‘Nee, nee, wij zijn niet van de politie,’ lacht de andere man geheimzinnig. Hij is jonger en niet onaantrekkelijk.

‘Wij komen u een aanbod doen dat u niet kunt afslaan,’ zegt de eerste lachend.

Ik smijt de deur dicht en loop de keuken in, draai de kraan open en laat water in mijn mond stromen. Ik spoel, spuug uit en neem nog een slok. Ik drink en drink meer. Vol. Ik sta recht op en de keuken draait om mij heen. Voor het keukenraam staan de twee mannen. Ze kijken naar binnen en lachen mij bemoedigend toe. Ik val om, zoek steun aan een theedoek waarvan het lusje breekt. Ik leun tegen de muur en ga langzaam door de knieën. Ik kruip naar de deur en reik naar het slot. Ik open het. Een van de mannen duwt de deur open.

‘Wij kunnen u uit uw lijden verlossen,’ zegt hij.

Alsof ik mijzelf niet uit mijn lijden kan verlossen. Een stap, een sprong is genoeg. De juiste plek op de juiste tijd en geen stakingen. Of de juiste dosis pillen. Nee, aan het lijden kan ik zelf wel een eind maken. ‘Ga weg,’ vat ik mijn gedachtegang samen.

‘U moet weten dat u een zeer bijzonder talent bezit,’ zegt de jongste van de twee. ‘De visualisatie van uw nachtmerries is werkelijk prachtig.’

‘Pardon,’ mompel ik. ‘Quatsch en raaskal.’

‘Ik geloof dat wij niet optimaal gelegen komen,’ zegt de ene weer.

‘Dat zullen we denk ik nooit,’ zegt de ander. ‘Maar niettemin: we zullen u nu met rust laten. Hier is ons kaartje. Adieu.’

Ik kijk naar het kaartje terwijl de twee heren weglopen. Ik probeer zo te focussen dat de letters scherp worden, maar ze blijven een beetje wazig. Ik heb teveel eiwit in mijn ogen. En de letters dansen heen en weer. Ik knipper een paar keer met mijn ogen. Het lezen gaat beter en de dansende letters vormen woorden. Maximiliaan Lex & Gordon Hauspie, makelaars in luchtkastelen. Door de tekst lopen blauwe wolkjes, als op een geboortekaartje. Ik haal mijn schouders op en werp het kaartje de keukenvloer op.

Ik had een naam nodig

Ik schrijf van alles en nog wat. Onder de categorie ‘en nog wat’ valt ook het schrijven van avonturen voor rollenspellen (rpg’s, zoals D&D, Queeste etc). Hiervoor verzon ik een op Nederlandse sagen en legende geschoeide fantasy wereld. Op een goed moment had ik een personage nodig, een heerschap met een pragmatische inslag, die het van oorsprong achter zijn ellebogen had, maar door schade en schande wijs was geworden. Hem was ooit de neus afgesneden en dit gaf hem een sinister uiterlijk. Zeer geschikt als antagonist.

Ik gaf hem de naam ‘heer Maximiliaan’. Het is hetzelfde personage, in een andere wereld. Ik schreef ook diverse prozaverhalen over die wereld, waarvan een aantal werd gepubliceerd in genre-tijdschriften. Top op heden heeft ‘heer Maximiliaan’ geen rol in die verhalen, maar wat niet is kan nog komen.

Gezien het droom-thema dat door mijn verhalen heen loopt, is er in mijn hoofd ook wel reëel een verband tussen de Maximilaan Lex uit ‘Het lichte hart..’ en heer Maximiliaan uit de fantasy wereld, maar hoe precies, dat moet zich nog ontvouwen.

De vrienden van Ego

Ik begon in 2009 te schrijven aan een literaire thriller (project De zwarte madonna). Het was een fiasco. Een warrige plot en een moeizame spanningsboog. Ik legde het werk weg en dacht dat ik er nooit meer naar om zou kijken… Het enige wat mij speet was dat ik Maximiliaan Lex er een plekje in had gegeven. Dus zes jaar later, pakte ik het werk er weer bij, en haalde alleen de teksten eruit waar hij een rol in had. Die bleken warempel een consistent verhaal op zichzelf te vertellen. Er moeten nog een paar hoofdstukken bij. Een beetje aan schaven… maar dan kan er een novelle ontstaan (werktitel ‘De vrienden van Ego). Hieronder een fragment.

Zijn moeder had hem ooit met David Niven vergeleken. Een hele jonge David Niven, dat dan wel. Een paar maanden later was ze door zijn vader in een dronken bui van het balkon gegooid. Nee, vader had ze nooit met een filmster vergeleken. En de oude klootzak had in zijn zoon niets dan een leugenachtige lastpak gezien. Misschien hadden allebei zijn ouders wel gelijk gehad en was hij een leugenaar met het uiterlijk van een filmster. Maximiliaan koesterde zijn uitstraling van een held van het witte doek. Verzorgd. Voorkomend. Soave. Hij had in geen jaren een film met David Niven gezien. Zou hij nog steeds op hem lijken: op die uit de latere films? De associatie met filmacteurs maakte ook dat het leugenachtige minder ernstig voelde. Het was geen liegen, meer acteren. Hij speelde rollen in de verhalen die hij vertelde, ensceneerde en die hij zo langzaamaan tot waarheid verhief.

De inkeer

En afgelopen jaar schreef ik aan een nieuw stuk voor Theatergroep Augustus. Al snel ontstond het idee van twee zussen met hun zaakje aan de dijk, en hun oude jeugdliefde, die hen bedrogen had. En meteen was daar Maximiliaan Lex weer, die in mijn hoofd auditeerde voor die rol, en hem direct kreeg. Zo gaan die dingen.

Maximiliaan Lex:

Geen geheimen. Dat past bij jullie. En dat is voor mij jarenlang zo heel anders geweest. Luister naar mijn verhaal.

Tijdens zijn monoloog komt Vlinder op, via achter.

Eerst moeten jullie een beeld krijgen van wat voor man ik was. Ik kende geen gelukkige jeugd. Mijn vader dronk. Mijn moeder loenste. Van jongs af aan leerde ik dat het er niet om ging wie je was, maar dat het er om ging hoe je overkwam.

Toen ik Lili en Marleen leerde kennen – we zaten bij elkaar op school – was ik al een vals mannetje. Ik maakte alles mooier dan het was. Mijn klasgenoten dachten dat ik rijke ouders had, die altijd op reis waren.

Ik had altijd excuses om afspraken niet na te komen, huiswerk van anderen over te schrijven. Lunchgeld te lenen. Ik vulde het ene gat met het andere. Vrienden maakte ik niet. Er waren altijd nieuwe mensen die voor mijn praatjes vielen. Het was pathologisch. Ik dacht dat iedereen zo was. Het was een eenzaam bestaan.

Komt er nog meer Maximiliaan Lex? Wellicht. Er zit genoeg in mijn hoofd; de ontmoeting tussen Maximiliaan Lex en Victor Hauspie. En de link met de ‘dromen’. Ik broed er op. Wordt vervolgd.

 

De inkeer van Maximiliaan Lex

lb maxlex groot 90 2

Komende maand wordt door theatergroep Augustus het stuk ‘De inkeer van Maximiliaan Lex’ gespeeld. Ik tekende voor de theatertekst, en ook voor de vertaling van een aantal bestaande muziekstukken. De voorstelling in Arnhem is al uitverkocht. Maar in Lindenberg in Nijmegen zijn nog kaarten.

De korte inhoud

Aan de dijk, met uitzicht over de uiterwaarden, ligt een koffie & curiosa zaakje dat gerund wordt door twee zussen, Lily en Marleen. Lily is gescheiden, Marleen is een uitgetreden non. Als op een dag een oude bekende van hen op de stoep staat, brengt dat pijnlijke herinneringen boven. Ze kennen hem als een oplichter en een leugenaar. Lili en Marleen doorzien zijn snode plannen, denken ze. Of is hij werkelijk veranderd? En als ieders belangen langzaam duidelijk worden, blijkt het knusse zaakje van Lili en Marleen ineens verre van Idyllisch.

Kaartjes kopen
zondag 15 mei, 14:30 uur, Huis van Puck, Arnhem [UITVERKOCHT]
kaartjes: via de spelers of via kaartjes@theatergroepaugustus.nl
vrijdag 20 mei, 20:30 uur, Steigerzaal, de Lindenberg, Nijmegen
zaterdag 21 mei, 20:30 uur, Steigerzaal, de Lindenberg, Nijmegen
Over de productie
Theatergroep Augustus brengt met ‘De inkeer van Maximiliaan Lex’ opnieuw een origineel verhaal, doorspekt met bekende muziekstukken in een nieuw jasje.
De voorstelling duur ca twee uur en dertig minuten, inclusief pauze.
Toneeltekst: Frank Norbert Rieter
Regie: Melan Floris Lambers
Muzikale Leiding: Wieke de Keyzer
Spel: Monique Aarntzen, Monique Brakkée, Ingrid Broeders, Hannemarieke Geurts, Milou Huisman, Mark Kuilder, Marco Langendoen, Marc Nieuwland, Sjoukje Later, Eline Smits, Jacomijn Bij de Vaate en Joost Willemen.
Stichting Theatergroep Augustus bracht sinds 2004 tien theaterproducties en organiseerde daarnaast moordspellen en wie-is-de-mol-weekenden. In de theaterproducties werken we met een mix van amateurs en professionals en streven we (ongesubsidieerd en met minimale middelen) naar een artistiek zo goed mogelijk eindresultaat.

 

Negen gedachten bij een fantastisch schrijfboek

Er was dit jaar goed nieuws voor genreschrijvers in Nederland en België. Martijn Lindeboom en Debbie van der Zande schreven een leuk en praktisch boekje met de titel Hoe schrijf je fantasy en science fiction? Het is uitgegeven onder redactie van Louis Stiller in de schrijfbibliotheek van Atlas Contact. Ik las het en raakte niet alleen geïnspireerd tot het schrijven van meer genreverhalen – dat was ik natuurlijk al – maar dacht ook na over de vraag: hoe leer je eigenlijk Fantasy en Science Fiction schrijven? En ik had daar negen overwegingen bij.

1.
Het boekje Hoe schrijf je… is gericht op beginnende schrijvers van deze genres. Ik had stiekem gehoopt op een uitgave waar een wat meer ervaren schrijver ook veel uit zou halen. De opzet bleek anders en dat is eigenlijk heel fijn. Het is het eerste boek in zijn soort in het Nederlands. Debbie schreef al op facebook dat ze hoopt dat het het begin is van vele uitgaven. Dat vind ik een mooi uitgangspunt. En als het een schrijfboek was geweest dat alle andere schrijfboeken overbodig had gemaakt, was ik ook een beetje teleurgesteld geweest. Maar wat zou ik dan in een volgend schrijfboek graag behandeld zien?

2.
Fantasy en Science Fiction samen in één boekje, zonder Horror – je kunt anders kiezen. Er is zoveel genrevermenging; ik zie veel voordeel in het gezamenlijk behandelen van alle drie. Of je kunt één genre behandelen en dat echt uitdiepen; de allegorische waarde van Fantasy, de maatschappijvisie bij Science Fiction en de aantrekkingskracht van het afschuwelijke en vervreemdende bij Horror.

3.
Het eerste deel van Hoe schrijf je… wordt gevormd door een beschrijving van de genres, aan de hand van een degelijke literatuurlijst. Voor mijzelf is dat ’t aardigste deel; een handzaam overzicht, een leuke checklist voor wat ik nog wil lezen en een toets voor de compleetheid van mijn boekenkast. Voor de beginnende schrijver is het wellicht wat veel van het goede. Het is bijna een vorm van ‘infodump’. [Voor wie het niet weet: Infodump is de term waarmee door genreschrijvers wordt aangeduid dat in een verhaal veel informatie staat over de wereld waar het verhaal in speelt, zonder dat die informatie voor de plot, personages of sfeer van wezenlijk belang is. Het komt over als ‘kijk eens wat ik allemaal bedacht heb’ en ‘dit wilde ik ook nog even kwijt’.]

4.
Het tweede deel van Hoe schrijf je… gaat over het bouwen van je wereld. Het deel zit logisch in elkaar en oogt compleet, maar mij bekruipt bij het lezen het gevoel dat als je alles wat daar staat niet zelf kan bedenken, je in het geheel niet aan het schrijven van Fantasy en Science Fiction moet beginnen. Hier blijkt wellicht hoezeer ik niet tot de doelgroep behoor, al weet ik ook niet hoe je het onderwerp wereldopbouw voor gevorderden kunt behandelen. Wellicht zou het iets meer mogen gaan over hoe en op welk moment al die wereld elementen voor de lezer zichtbaar worden.

5.
Het derde deel van Hoe schrijf je… gaat over het feitelijke schrijven van het verhaal. Basisprincipes worden behandeld. Andere delen van de Schrijfbibliotheek worden geparafraseerd; Schrijven met het oerverhaal, De wil en de weg, en Personages, Conflict, Perspectief. Naar mijn eigen smaak mis ik Het naakte schrijven van Nirav Cristophe. (Niet in de Schrijfbibliotheek en niet meer in druk. Ik zou zeggen, Louis Stiller: het wordt tijd voor een heruitgave.) Eén van de verdiensten van dat werk is dat het de conclusies van Flower & Hayes over schijfprocessen begrijpelijk maakt. De notie dat schrijven een recursief proces is, dat zich niet laat vangen in lijstjes en stappenplannen is een inzicht dat ik geen enkele beginnende schrijver zou willen onthouden.

6.
Ook bekende auteurs worden aangehaald: Jeff Vandermeer en Stephen King. Een onmisbare bron van wijsheid is volgens mij Ursula LeGuin; die mis ik echt. Ze wordt wel als auteur van de Aardzee-boeken genoemd, maar ze schrijft ook uitstekende essays over schrijven en het fantastische in de literatuur.

7.
Bekende begrippen worden behandeld: ‘infodump’ en ‘Show don’t tell’. Het is onvermijdelijk en dient wel enig doel, maar persoonlijk: ik ben er klaar mee. Het zijn de clichés van de schrijfdocent. Alleen Kill your darlings ontbreekt nog. Ik droom van een schrijfboek dat uitlegt wanneer een uitgebreide tell op z’n plek is, wanneer ‘infodump’ de meest wonderbaarlijke en geliefde wereldbeschrijving wordt en hoe je darlings liefdevol groot brengt.

8.
Een in het Engelse taalgebied bekende term die best eens in de Nederlandse schrijfwereld geïntroduceerd zou mogen worden is Portal Fantasy. Daarmee wordt aangeduid dat de hoofdpersoon een (relatief) onbekende is in de wereld en alles uitgelegd moet krijgen. Dat is een heel makkelijke manier om ook de lezer wegwijs te maken. Dit is het soort term aan de hand waarvan je beginnende en gevorderde schrijvers iets kan uitleggen dat specifiek geldt voor het schrijven van genreverhalen.

9.
Als ik het boek uit heb, fantaseer ik graag nog even door. Er zijn nog tal van onderwerpen amper aangeraakt. De belangrijkste daarvan is voor mij denk ik de taal van het fantastische. Uit welk idioom putten we? Welke syntaxis is bij uitstek geschikt voor het wonderbaarlijke en welke voor angst of vervreemding? Hoe schrijf je archaïsch zonder oubollig en onleesbaar te worden? Wanneer gebruik je in Science Fiction Engelse leenwoorden en wanneer zoek je naar Nederlandse alternatieven? Wanneer is een verzonnen taal nog mooi exotisch en wanneer verwordt het tot onuitspreekbare mallotigheid? Ja, een boek dat dat behandelt, daar droom ik van.

Tot die tijd prijkt Hoe schrijf je fantasy en science fiction? als enige Nederlandstalige schrijfboek over genreverhalen in mijn boekenkast. Aan de ene kant ernaast staan een aantal uitgaves van de schrijfbibliotheek en andere Nederlandse schrijfboeken. Aan de andere kant ernaast beginnen de Engelstalige schrijfboeken. Essays van Ursula LeGuin en The Art of Dramatic Writing van Lajos Egri. De schap is nog niet vol. Er is nog plek genoeg voor een paar schrijfboeken meer over genreverhalen.

Deze blogtekst werd eerder gepubliceerd op hebban.nl