Berichten

Hoe ik beter leerde schrijven

20180312_175754

In het kielzog van mijn aantekeningen over kwaliteit wilde ik ingaan op het verschil tussen literatuur en lectuur, en de vraag of de kwaliteit van die twee bloedgroepen verschillend gemeten zou moeten worden. Jack Schlimazlnik meent van wel (zie hier) maar terwijl ik dat stuk doorlas taande de zin om er veel woorden aan vuil te maken. Wat er over te zeggen valt staat daar al, terwijl gelijktijdig in de discussie over de Harland Boekenprijs juist benadrukt mag worden dat het niet om dat verschil gaat. Wat juist interessant is om te bespreken is niet ‘hoe literair genreverhalen moeten of mogen zijn’, maar wat je verwacht aan kwaliteit. Niet ‘hoe worden ze literair’, maar hoe worden ze ‘hoe dan ook beter’.

Wat me in het stuk van Jack het meest raak is de volgende alinea;

Al enkele jaren loop ik ertegenaan dat ik meer naar het literaire wil. Ik weet niet hoe ik dat moet aanpakken als ik in het genre wil blijven (ik wil geen literair met een vleugje genre schrijven). Mijn verhalen die die richting op gaan, worden niet goed ontvangen bij wedstrijden en krijgen daar geen verbeterpunten waar ik iets mee kan, ik ken bij de genre-uitgeverijen geen redacteuren die dit zouden kunnen ondersteunen en ook bij degenen die zich als redacteur of schrijfcoach en dergelijke aanbieden zie ik die kwaliteiten niet of onvoldoende naar voren komen. Zeggen dat ik bagger schrijf, zie ik dus als een open deur. Vertel me liever hoe het beter kan: bekijk een verhaal dat ik als literatuur heb bedoeld en vertel me hoe het literair beter kan, leg het niet tegen de maatstaf van de lectuur. Maar hou ook in het oog dat het genre is, aan mensen van buiten het genre heb ik daarom niet zoveel.

Ik herken dat heel erg. Ik heb nooit tegen mezelf gezegd; ik wil literairder schrijven, maar merkte van meet af aan dat als ik beter wilde schrijven ik mijn leerervaring buiten het de fantasy, horror en scifi moest zoeken. Inderdaad: omdat op dat punt het veld in Nederland niet zoveel te bieden heeft. En ik ontdekte dat veel wat literair genoemd wordt leidt tot betere verhalen. Ik schreef twee jaar terug al een blog ‘Hoe ik leerde schrijven’. Ik ben nog lang niet uitgeleerd, en kan nog wel een aantal daaraan toevoegen die ik deed en leerde;

  • De werking van drama; met name met dank aan cursussen theaterschrijven die ik volgde. Ik sta er iedere keer versteld van dat genreschrijvers een opbouw of perspectief kiezen die het dramatische van een situatie onderbelicht laat of zelfs onderuit haalt. Drama (en de herkenning daarvan door de lezer) is in het onderbewuste van de lezer vaak de stuwende kracht om door te willen lezen. Het is het voelen van de pijn van de personages. Het geeft de noodzaak tot handelen. Geen verhaal kan zonder drama.
  • Taal en stijl; ik schreef een reeks verhalen in een middeleeuwse wereld, met gebruik van veel archaïsche en Middelnederlandse woorden. Feedback was: daardoor leest het stroef en komt het stoffig en oubollig over. Ik heb veel geschaafd aan die stijl. Ik was ervan overtuigd dat het mogelijk is om verhalen de Oudhollandse snit mee te geven en toch leesbaarheid en frisheid te behouden. Ik schreef en herschreef. Ik las oude en nieuwe boeken in die stijl, met name oude vertalingen van Sir Walter Scott en Boccaccio. Ik schreef een Toonder-hommage om zijn stijl beter te doorgronden. En dat was alleen voor deze serie verhalen, omdat ik daarvoor die stijl in de vingers wilde krijgen.
  • Haakjes en ‘Cleanen’ – ik leerde dit door de jaren heen van al mijn redacteurs en schrijfdocenten. Waar blijft de lezer even aan ‘haken’; wat is niet duidelijk of tegenstrijdig? Welke woorden, zinnen of alinea’s kunnen weg terwijl het verhaal behouden blijft? Die moeten dan ook weg, want daar wordt het verhaal krachtiger, duidelijker en beter van.
  • Vertalen en lezen in parallelvertaling; ik werk onregelmatig aan het vertalen van de prozagedichten van Clark Ashton Smith. Ik lees Engelse werken indien mogelijk parallel in het Nederlands. De keuzes die bij vertalen gemaakt moeten worden maken mijn eigen schrijven beter. Ze dwingen tot nadenken over de betekenis en plaatsing van ieder woord.

En dit zijn geen zaken die specifiek over ‘literair schrijven’ gaan. Er zijn kenmerken die in mijn beleving vrij goed kunnen ontbreken in genreboeken zonder afbreuk te doen aan de kwaliteit. Ik heb het dan met name over gelaagdheid en Intertekstualiteit (ik ben er dol op). Iets anders waar ik vooral literaire redacteurs en uitgevers over hoor is ‘noodzakelijkheid’. ‘Je kon voelen dat dit boek echt geschreven moest worden.’ Zo’n uitspraak ben ik over genreboeken nog nooit tegengekomen. In het grensgebied kom ik zaken tegen als complexiteit en ‘thematische diepgang’. Ik denk dat daarover het laatste worden nog niet gezegd is. De jury van de Harland Awards noem die termen in één adem met ‘ambitieniveau’, terwijl er ook veel mensen in het veld zijn die daar niet mee willen worden lastig gevallen. Voor hen is genreschrijven nu eenmaal lectuur en ze vinden dat prima.

Ondertussen zitten schrijvers zoals Jack en ik er een beetje tussenin. Met veel liefde voor genreschrijven, èn de ambitie om daarbij literaire kwaliteit af te leveren (wat dat dan ook precies moge zijn). Het kan een eigen niche worden. Is het wachten op de eerste uitgeverij die na ‘literaire trillers’ ook ‘literaire fantasy’ of ‘literaire science fiction’ in de markt gaat zetten? Dan hebben we in ieder geval een marketing term. Maar het zorgt nog niet voor meer begrip of inzicht in wat kwaliteit is en waar de toetssteen daarvoor voor literatuur of lectuur eigenlijk gelijk is.

Advertenties

Een paar aantekeningen over kwaliteit

Na de polemiek rondom de niet-uitreiking van de Harland Award Boekprijs is één van de vragen die beter beantwoord moet worden; wat verstaan we onder kwaliteit? Peter Kaptein zette een heldere opsomming op facebook, die redelijk goed weergeeft wat er meestal onder verstaan wordt. Jack Schlimazlnik schreef er een blog over. Vandaag ga ik met name op Peter in.

Wat van belang is bij de probleemanalyse (zie ook mijn recapitulatie daarvan) is dat de jury van de Boekprijs expliciet aangaf dat het er niet om ging dat de genomineerde werken ‘niet literair genoeg’ zouden zijn, maar dat het ontbrak aan basiskwaliteiten die je van ieder boek mag verwachten.

Ze noemen met name (bron);

  • Stijl
  • Thematische diepgang
  • Originaliteit
  • Uitdieping van personages

Als ik die vier punten naast het lijstje van Peter Kaptijn leg, valt direct op dat ‘thematische diepgang’ mist. Wat mijzelf de afgelopen jaren is opgevallen bij het lezen is dat zowel boeken als korte verhalen vaak geen heldere premisse hebben en daardoor focus en overtuigingskracht missen. Ik denk dat daar het fundament voor de thematische diepgang gelegd kan worden. Tijdens het ronde-tafel-gesprek op de Dag van het Fantastische Boek werd ook stil gestaan bij het gebrek aan redactie en begeleiding. Redactie is meer dan een grondige correctie. Een goede redacteur daagt uit en stelt de belangrijkste kritische vraag: wat wil je eigenlijk zeggen met je verhaal? Wel verhaal wil je eigenlijk vertellen?

Wat verder opvalt is het woordje ‘uitdieping’ bij personages. Er is (blijkbaar) meer nodig dan dat personages alleen maar ‘geloofwaardig’ zijn. Peter Kaptein geeft een hele opsomming van vragen die daarmee samenhangen, en ik vind dit over het algemeen geen zwak punt van de hedendaagse genreschrijvers (waarbij ik moet opmerking dat ik de boeken op de shortlist niet heb gelezen), dus dit vraagt om wat nader onderzoek, of wat nadere toelichting van één of meer mensen van de jury. (Dave Cobben, Isabel Hoving, Auke Hulst, Eva Koreman, Renée Vink).

Het lastige van Stijl is dat het een containerterm is. Peter Kaptein noemt als eerste ‘Hoe lopen de zinnen?’. Ik denk zelf als eerste aan wat Bukowski er over schreef. Het is veel meer dan een nette grammatica en propere syntaxis. Het is het opzoeken van de grenzen daarvan. Het is het maken van bewuste keuzes die passend zijn voor juist het verhaal waar je aan werkt. Het zijn de stijlkeuzes die de eigen stem en originaliteit optimaal laten uitkomen. Stijl is geen canvas of bouwblok, stijl is hoe je je kwast vasthoudt.

Tot slot is er nog wel een begrip dat van mij wat vaker in het discours gebruikt zou mogen worden; aptum. Ik kan zo snel geen echt goede omschrijving vinden; al komt deze in de buurt. Ik gebruik de term zelf als ‘het evenwicht tussen alle elementen’. Alle genoemde zaken moeten met elkaar in overeenstemming zijn en elkaar versterken.

Het gesprek over kwaliteit is nooit af; dit zijn mijn hersenspinsels voor vandaag. Wordt vervolgd.

 

Recapitulatie na het debacle

Vlak voor het weekend werd bekend dat de Harland Awards Boekprijs 2017 niet uitgereikt zou worden. Het bestuur van de stichting en de jury publiceerden een verklaring. Eén bestuurslid stapte op uit onvrede over de gang van zaken. De genomineerde auteurs en hun uitgevers besloten om niet te komen naar de Dag van het fantastische boek. Er werd over geblogd en heel erg veel over op facebook geschreven. Op de Dag van het Fantastische Boek werd een ronde-tafel-gesprek gehouden waaraan Auke Hulst, Thomas Olde Heuvelt, Tom Kruijsen en Sarah de Waard deelnamen.

Uit al het leesvoer en wat er bij het ronde-tafel-gesprek is gezegd distilleer ik (vooral voor mezelf) de volgende samenvatting. Ik doe dat omdat uit alles blijkt dat er niet één issue is om het over te hebben, en dat de discussies en gesprekken die daarover gevoerd moeten worden, los van elkaar zouden moeten staan.

Wat zijn de kwesties;

  1. De organisatie. Vele vragen zijn gesteld. De meeste zijn wel kort door individuele betrokkenen beantwoord, maar vaak ook erg snel ‘afgedaan’. Uiteindelijk is er ook aanhoudende vraag naar een gedegen evaluatie en antwoord van/door/met /over het bestuur van de stichting. Ik denk dat daarbij dit de belangrijkste kwesties zijn;
    1. Autopsie op dit jaar: hoe heeft dit kunnen gebeuren? En dan wordt niet gevraagd om een reconstructie van communicatie en besluiten, of een verwijzing naar reglementen, maar vooral het in kaart brengen van alle belangen, belanghebbenden, bloedgroepen, stammenstrijden en invloedsferen.
    2. Autopsie op afgelopen jaren: meerdere mensen merken op dat het niet de eerste keer is dat er kritiek is op de gang van zaken, dat er al eerder bestuursleden uit onvrede zijn opgestapt. De feedback is: er wordt te weinig geluisterd, geëvalueerd en geleerd van eerdere fouten. Het vertrouwen is bij een deel van de achterban laag. Wellicht kan dit worden hersteld met openheid van zaken, zelfreflectie en goede communicatie over de ontwikkelingen van de afgelopen jaren.
    3. Reglementen en rollen. Een goed reglement voorziet ook in onvoorspelbare situaties. Helaas hebben reglementen te kort geschoten. Sommige mensen verwijzen naar ‘de regels’, anderen vooral naar ‘usance’, ‘verantwoordelijkheden’ en ‘bedoelingen’. Hier ontstaat een spanningsveld waar geen oplossing bevredigend is. Wat kunnen we hiervan leren?
    4. Hoe nu verder?
  2. De inhoud. Dit is niet één ding.
    1. Wat verstaan we onder ‘kwaliteit’? De opmerkingen van de jury zijn door een deel van de achterban verstaan als dat de shortlist onvoldoende literair zou zijn. De jury, bij monde van Auke Hulst, bestrijdt dat. Het gaat niet om wel of niet ‘literair’. Het gaat om het ontbreken van basistechniek en kwaliteiten die je van ieder boek mag verwachten. De dialoog over wat er dan precies wordt verstaan onder kwaliteit is daarmee niet teneinde. Er zijn ongetwijfeld kwaliteitseisen die je aan ieder boek wil stellen, maar ook verwachting die je bij een literaire roman onmisbaar acht, en bij genreliteratuur niet of minder koestert. Deze vermeende ‘stammenstrijd’ tussen ‘pulp’ en ‘literatuur’ bestaat denk ik ongeveer honderd jaar. Ik heb niet de illusie dat er een finaal antwoord komt, maar wel dat de dialoog de kwaliteit van boeken kan verbeteren en award-debacles kan voorkomen.
    2. Wie kan er oordelen? Hoe ziet het veld eruit? De Harland Awards Boekprijs is een juryprijs. De jury bestaat uit deskundigen uit ‘het vak’ en ‘de peergroup’, maar zijn in de dialoog van de afgelopen dagen ook afgeschilderd als relatieve buitenstaanders. Je kunt het niet over de kwaliteit van de boeken in het veld hebben zonder het ook te hebben over kennis en kwaliteiten van de mensen in dat veld, en over de afbakening van dat veld. Dat is een lastig gesprek, want het wordt snel persoonlijk. Schrijvers hebben grote maar kwetsbare ego’s. Toch moet dat gesprek gevoerd worden, als we niet lijdzaam willen vervlakken, met de neoliberale machinaties in onze maatschappij mee. Het gevaar is een geforceerde tweedeling tussen ‘onbekwamen’ en ‘bekwamen’. Immers: onbekwamen kunnen niet vaststellen wat kwaliteit is en dan zullen de bekwamen uitleggen wat wèl goed is. Dat gaat niet zomaar werken in een landschap waar de vraag wat kwaliteit is vaak gerelativeerd wordt, talent en kwaliteit soms lang ongezien blijft en succes en zichtbaarheid geen garantie voor kwaliteit is. Ik weet alleen dat dit gesprek gevoerd zou moeten worden, maar hoe, geen idee.
    3. Poortwachters en verdienmodellen. Wat in de gesprekken over kwaliteit steeds weer vervuilt is de inrichting van het boekenlandschap in Nederland. Uitgeverijen hebben van oudsher de rol van poortwachter; bewaker van kwaliteit. Uitgevers ontdekken ruwe diamanten en redacteurs zorgen voor een gepolijst eindresultaat. De werkelijkheid ziet er helaas anders uit. Commerciële belangen wegen zwaar. Kwaliteit waarborgt geen verkoop. Self publishing en print on demand bieden veel mogelijkheden. Ook uitgeverijen en ervaren en bekende auteurs maken daar gebruik van. Met als gevolg dat je als organisatie van een Boekprijs er niet zomaar vanuit kan gaan dat alles wat gepubliceerd wordt voldoende kwaliteit heeft (door de vermeende poortwachter-rol is goedgekeurd), maar je kunt er ook niet vanuit gaan dat je maar beter alles kunt uitsluiten dat self-published of zelf gefinancierd is. Feitelijk heeft de jury in dit veld gaandeweg de rol van ‘culturele poortwachter’ van de uitgeverijen overgenomen. En dat wordt nu zichtbaar. Hoe dat veld in elkaar zit, daar moet over gesproken worden anders wordt het gesprek over wat kwaliteit is steeds weer vervuild.

Er is vast nog meer. Er zijn ongetwijfeld veel subvragen en nuances. De vraag is vooral hoe en door wie deze gesprekken gevoerd gaan worden. Persoonlijk vind ik facebook er een heel slecht medium voor. Blogs hebben veel waarde voor de zichtbaarheid en vastlegging, maar zijn op zichzelf onvoldoende. Je moet elkaar ook spreken en in de ogen kijken. Het genoemde ronde tafel gesprek was een begin, een verkenning. Hopelijk volgen er meer initiatieven en gelegenheden. Hopelijk geef de stichting actief richting aan het debat en laten ze niet alleen de jury het inhoudelijke gesprek voeren.

Maar voor nu genoeg; mijn doel was om voor mezelf en voor de belangstellende meelezer een recapitulatie te geven van het debat. En daar laat ik het voor nu even bij.

 

Bronnen:

https://www.harlandawards.eu/verklaring-harland-awards-boekprijs-2017/

http://totem.tomkruijsen.nl/2018/04/12/harland-awards-boekprijs.html

https://writingpeterkaptein.wordpress.com/2016/09/04/de-harland-award-2017/

https://schlimazlnik.livejournal.com/462103.html

https://www.facebook.com/joris.vanleeuwen.18/posts/10156785508340931

 

Van toekomstbeeld tot alternate history

Schermafdruk 2018-03-25 19.33.50_preview

Op de Dag van het Fantastische Boek presenteerde ik het onderdeel over ‘Grounded SF’ dat werd georganiseerd in samenwerking Lebowski Publishers. Hieronder staat de tekst van de inleiding die ik gaf, voorzien van allerhande links, waardoor deze blog (net als dat uur) kan dienen als inleiding of verkenning van deze nieuwe niche in het fantastische genre. 

“Welkom bij het onderdeel met het hoogste waarheidsgehalte van deze dag.

Vlak na de benoeming van president Trump zette een medewerker van boekhandel Waterstones in Londen een nieuw bordje bij de afdeling science fiction. Op het bordje stond: True fiction – met tussen haakjes daarachter: formerly known as science fiction.

Daarmee drukte de onbekend gebleven medewerker op briljante wijze uit wat iedereen in dit tijdgewricht aanvoelt: fictie en werkelijk zijn niet meer van elkaar te onderscheiden. Werkelijkheid lijkt ongeloofwaardig. Leugens worden als waarheid verkocht. De fictie van gisteren kan zomaar de waarheid van vandaag zijn.

Dat werkelijkheid en fictie leentjebuur bij elkaar spelen is niet nieuw. Van Jules Verne’s Reis naar de Maan tot Isaac Asimov’s wetten van de Robotica: alles wat verzonnen wordt, wat denkbaar is, kan in de werkelijkheid worden nagestreefd en uiteindelijk worden toegepast.

Maar tot nu toe beperkte zich dat tot technologie: de science in science fiction. Niet eerder bekroop de lezer het gevoel dat in de dystopische verhalen van weleer, onze hele huidige maatschappij beschreven word. De realiteit heeft fictie ingehaald. Misschien mag je wel zeggen: verslagen. In alle facetten.

Computers zijn overal. Alle apparaten zijn met elkaar verbonden met een wereldwijd netwerk. Alles is wat je doet wordt geregistreerd en dient als basis voor het voorspellen van je gedrag. Robots voeren medische handelingen uit, en worden tegenwoordig zelfs ingezet als gezelschap om de eenzaamheid te verdrijven. In Ede zit een beveiligingsbedrijf dat Big Brother B.V. heet. Kennen we dat niet ergens van?

De uitgever van Lebowski Publishers, Oscar van Gelderen, heeft een fascinatie voor True Fiction-romans en hij besloot klassieke SF-auteurs uit te gaan geven waarvan het werk geaard is in de maatschappij. Grounded SF auteurs als Philip K. Dick, J.G. Ballard en Ray Bradbury.

Hun werk beschreef ooit een fictieve toekomst, maar hoe verzonnen ze ook zijn, de verhalen zijn nu geworteld in de samenleving zoals we die nu kennen. Ze lijken meer een alternatief verleden dan een verre toekomst.

Soms zijn ze nog steeds een doembeeld van hoe de wereld zou kunnen worden, als men niet stilstaat bij de gevolgen van wat optimisten vooruitgang noemen. Maar soms is wat ze beschrijven al werkelijkheid geworden.

In dat spanningsveld, het opereren op de snede van fictie en werkelijkheid, opereren ook schrijvers van nu. Na het uitgeven van de klassiekers uit dat genre ging Oscar van Gelderen / Lebowski Publishers op zoek naar nieuwe literaire auteurs die True Fiction schrijven.

Daar kwam vorig jaar de eerste roman uit voort: het boek Tot bloed op het droge van Jerry Goossens, waar de auteur zelf u straks meer over zal vertellen.

En uit die zoektocht naar nieuwe Grounded SF van eigen bodem kwamen nieuwe verhalen voort, die Lebowski bundelde in een nieuw Engelstalig tijdschrift voor Grounded SF: 2.3.74.

De titel van dat magazine verwijst naar een periode in het leven van auteur Philip K. Dick (februari/maart 1974) waarin hij leed aan hallucinaties. De visoenen die hij toen vormden zowel de basis voor semi-autobiografisch werk en boden ook inspiratie voor veel van zijn romans en korte verhalen. U kent hem als auteur van De man in het hoge kasteel, Blade Runner en Electric Dreams. Het werk van Philip K. Dick wordt is soms bestempeld als ‘paranoid fiction’ – die beide termen hebben gemeen dat ze eindigen waar de werkelijkheid begint.

En dat maakt een titel die verwijst naar Philip K. Dick zo passend voor een tijdschrift voor Grounded SF. In het tijdschrift vind je verhalen over onderwerpen als gekloonde schrijvers, genselectie, bovennatuurlijk sterke vrouwspersonen en gehackte breinen. Het tijdschrift kun je ervaren via magazine2374.com. Je kunt ze daar lezen en alle verhalen zijn in podcasts ingesproken door hun auteurs.

We laten vandaag als voorproefje stukjes horen uit de verhalen van de Nederlandse en Vlaamse auteurs Hanna Bervoets, Willem Bosch, Joost Vandecasteele en PJ Pancras. Wil je meer horen, dan zijn alle verhalen te beluisteren op SoundCloud als je zoekt op 2.3.74.

Daarnaast zijn drie auteurs in levende lijven aanwezig. Jerry Goossens, Eddie van Dijk en Auke Hulst.  Zij worden vergezeld door blogger Marcia van der Zwan. Zij laten u op eigen wijze kennis maken met Grounded SF.

De onze bekende wereld is het geaarde referentiekader. Van daaruit wordt de vraag gesteld: ‘What if’.  Die vraag – ‘Wat als’ – is voor de fictie die dit uur aan bod komt het vertrekpunt.”

 

De illustratie is, zoals gebruikelijk op mijn blog, slechts zeer zijdelings of associatief gerelateerd met de tekst. Screenshot afkomstig van het sci-fi computer rpg Elex.

Creativiteit en andere fundamentalismen

20180127_214434.jpg

Soms lees ik een boek waar ik niet al teveel over wil zeggen, maar wil ik gewoon dat iedereen het leest. Zodat we daarna weer in dezelfde wereld leven. Ik las het essay ‘Creativiteit en andere fundamentalismen’ van Pascal Gielen.

Ik wil het graag aanbevelen. Vooral als je creatief bent. Of als je daar regelmatig van beschuldigd wordt. Of als je met iets creatiefs je brood zou willen verdienen. Of als je mensen kent die dat proberen. En als je vindt dat kunstenaars betaald moeten worden voor hun werk. Of als je eigenlijk vindt dat kunstenaars moeten lijden en afzien. En als je jezelf wel eens hebt afgevraagd of het in economische waarde uitdrukken van kunst of van zo’n beetje alles in deze neo-liberale wereld wel zo’n goed idee is. En als je daar nou wel eens een handzaam en verhelderend boekje over wil lezen. Gewoon, omdat het kan, en om je eigen gedachten te scherpen.

In al die gevallen (en meer) wil ik dit werkje van harte aanbevelen. Helaas is het in het Nederlands uitverkocht, maar gelukkig in het Engels nog verkrijgbaar. Het kost maar EUR 15, inclusief verzendkosten, wat naar mijn bescheiden mening geen geld is voor alleen al het mogen genieten van het perfecte zetwerk. En dan krijg je de inhoud op de koop toe.

Ik zal niet snel zeggen dat je een boek _moet_ lezen, maar van dit essay vond ik de inhoud werkelijk belangwekkend. Veel wist, dacht, of vermoedde ik al, maar het was zo heel verhelderend omdat het mijn gedachten op veel punten verwoordde en ordenende. Kleine en practische zaken uit het leven van een schrijver plaatst het in een groter kader. De tekst is scherp en toch genuanceerd. Raak. Op een toegankelijke en bondige wijze geschreven.

Enfin: koop dat boekje, voor uzelf, of doe het iemand cadeau en leen het terug, maar lees het.

En voor wie het wil weten, nee, ik vond het al niet zo’n heel goed idee om de waarde van kunst steeds in economische termen uit te drukken. En nu nog minder.

 

 

Lezersdagboek: Leviathan, of Het hart in de steen

rd condensed

Dit is zo’n boek dat ondanks alle tekortkomingen de lezer verleidt en de vele pagina’s lang weet te boeien. Daarmee is het een boek dat het verdient gelezen te worden.

Er zijn al aardig wat recensies geschreven van de strekking: veel goede elementen, maar in z’n geheel niet overtuigend. Of: boeiend, maar een beetje een rommeltje. En: bij vlagen briljant, maar soms ook weer slaapverwekkend. Wat valt daar nog aan toe te voegen? Een paar plus- en minpunten;

De tomeloze ambitie. Ik houd daar van. Max Pam moet gedacht hebben: wat Hermans, Mulisch en Reve konden, kan ik ook, en ik kan het in één boek. En ik doe Voskuil en Vestdijk er meteen bij. Hij moet gedacht hebben: ik schrijf een boek dat alle Nederlandse literatuur uit de 20ste eeuw overbodig maakt. Alleen al om die ambitie verdient hij een staande ovatie. Petje af. In Nederland zouden veel meer ambitieuze boeken geschreven mogen worden. Weg met de platte, éénduidige polderromans van amper tweehonderd pagina’s!

De elementen zijn goud. Theo van Gogh: een roman waard. Eind 19de eeuw in Nederland, je zou er wel tien romans over kunnen schrijven. De geschiedenis van de diamantindustrie, ook een vuistdik boek waard. Het proces tegen Demjanjuk: idem. En zo kan ik nog wel even doorgaan. Allemaal onderwerpen die in hun kern de dramatische lading hebben om een roman te vullen. U voelt wel aan dat het een beetje veel is voor één boek, maar laat ik daar de nadruk nu niet op willen leggen. Het is goud waard, al die elementen. Laat dat gezegd zijn.

Hij kan wel schrijven: al die elementen zijn goed op papier gezet. Met name ieder historisch onderwerp dat wordt beschreven boeit en overtuigt. Was het een geschiedenisboek geweest, hadden recencenten gejubeld: het leest als een roman. Van het palingoproer tot Sobibor; beschrijvend is Max Pam om zijn sterkst.

Maar dan de minpunten;

Gelaagdheid, het is ook moeilijk. Net als een helder thema. Of een duidelijke premisse. Het komt allemaal niet uit de verf. Van de opkomst van het cremeren in Nederland, tot de verbrandingsovens van Sobibor loopt nog een wrange, maar mooie lijn waar een groter verhaal uit zou kunnen spreken. Maar als uit de as van een overledene een diamant wordt geperst en als na de IJslandse vulkaanuitbarsting een aswolk over Europa trekt, verzucht ik: Max, wat wil je nou? Ik heb het boek uit en ik heb geen idee.

Vrouwen kunnen ook interessante personages zijn. Echt waar. Maar niet in de wereld van Max Pam. Het zijn moeders, vriendinnen en minaressen, maar personages waar enige diepgang of ontwikkeling in zit, ho maar. Ontwikkeling van personages is sowieso ver te zoeken, maar het is dan ook nog vooral een mannenwereld. Vlak, plat, onbeholpen. Midlife-crisis-achtig. Het hele boek ademt de geforceerdheid uit van een te snel gekochte motor en een te nieuw leren jack. Of het literaire equivalent daarvan.

Redigeren is ook een vak. Er wordt achterin een aantal mensen bedankt voor het meelezen. Er zal ook wel een redacteur van uitgeverij Balans bij de uitgave betrokken zijn geweest. En oppervlakkig bezien is het een best nette uitgave. Maar voor zo’n ambiteus boek mag de lat iets hoger liggen. Foutjes in logica. Een paar knip- en plakfouten. En een paar tenenkrommende vergelijkingen.

Tot slot herhaal ik graag: ondanks de tekortkomingen toch de moeite van het lezen waard. Kun je nagaan. De elementen waar het verhaal uit is opgebouwd blijven boeien. Het had met een beetje meer schaafwerk en evenwicht een vier- of vijf-ster kunnen zijn.

Lezersdagboek: We have always lived in the castle

index2

Waarom heeft in de afgelopen twintig jaar niemand mij bij mijn kladden gepakt en geroepen: je moet nu echt het werk van Shirley Jackson lezen! Dat zou helemaal terecht zijn geweest. De kalme poëtische toon van haar zinnen, de gelaagdheid van het verhaal, de magische lading van haar wereld; het is precies waar ik van houd. Toch deed niemand dat, terwijl mij door Jan en alleman zoveel boeken zijn aangeraden.

Misschien zegt het iets over de mensen die mij boeken aanraden, en hun vermogen om waar ik echt van houd in te schatten, maar waarschijnlijk is het – hoe kan het ook anders – vooral de verdomde tijdgeest. Shirley Jackson was lange tijd niet hip (wat een understatement is), ze was niet ‘bon ton’ in de literaire wereld en haar nalatenschap leed een zieltogend bestaan in de banlieu van de literaire backlog, op weg naar de vergetelheid.

Shirley Jackson was een vrouw, waardoor haar werk al geen wind mee had in de wereld van blanke, middelbare mannen. Wat zij schrijft laveert op het grensvlak van literair, magisch realisme, en de griezelverhalen uit de pulp-hoek. Moeilijk in een hokje te stoppen. En dan is er weinig ruimte tussen vergetelheid en eeuwige roem.

Aan de vergetelheid lijkt ze weer even ontrukt, nu afgelopen jaar haar biografie verscheen. Het lijkt een opmaat naar hernieuwde belangstelling voor haar werk. Nieuwe uitgaven door onder andere Penguin. Een verfilming van ‘the castle‘ is onderweg. En in Nederland bleef Atlascontact niet achter door een uitgave in de imprint L.J.Veen Klassiek met een voorwoord van Nina Weijers. Ik weet niet precies hoe eeuwige roem eruit ziet. Maar dit kan er toch niet ver vanaf zitten.

Wellicht heeft ook de voorzichtige renaissance in de genreliteratuur van wat niet-blanke-mannen-van-middelbare-leeftijd zoal geschreven hebben, voor een beetje wind mee gezorgd. Maar bovenal is het natuurlijk de onverbiddelijke kwaliteit van het werk. Mooie, intrigerende personages. Een verhaal op het schuurvlak van twee werelden; de geborgen, magische wereld van de hoofdpersoon, en de normale, burgerlijke wereld van angst, schuld en verplichtingen. Het is bruut en zinloos om er veel meer over te zeggen. Leest u vooral niet teveel besprekingen. Lees vooral het boek.

Ik las de Penguin editie uit 2006, die nog steeds verkrijgbaar is. Dat is zo’n boek zoals boeken bedoeld zijn. Alles aan de uitgave draagt bij aan het verhaal. De omslag, het lettertype, de papierkleur, de gerafelde randen van het snijwerk. De omslag illustratie is perfect passend bij de sfeer en inhoud van het verhaal. Goddank geen kasteelachtig gebouw voorop, of alleen een zwarte kat, zoals op de meeste andere uitgaven. Het voorwoord was snorkend saai, maar dat neem ik bij een verder perfecte uitgave op de koop toe.

Ik las het boek parallel in het Nederlands. De vakkundige vertaling van Rob van Moppes leest even soepel als het origineel en laat de personages en het verhaal uitstekend voor zichzelf spreken. Daarna is het een kwestie van smaak. De Nederlandse tekst blijft erg dicht bij het Amerikaanse origineel. Van mij had Moppes zich meer vrijheden mogen permitteren om de poëtische kracht van de Engelse tekst dichter te naderen. In snit is het een heel Amerikaans verhaal gebleven. Daardoor voelt het ver weg, een verhaal dat speelt aan de andere kant van de Atlantische oceaan. Waar ik dat bij menig andere vertaling een pré had gevonden, vind ik dat hier jammer. Naar mijn smaak had het in woordkeus en wellicht zelfs in de namen meer vernederlandst mogen worden, zodat die magische wereld dichterbij voelde. Om de hoek.

Dat is in vertalersland wellicht momenteel geen hippe keuze. Maar daardoor is het vooral een heel nette, vakkundige vertaling voor wie het Engels amper machtig is. Van weinig toegevoegde waarde voor de meeste lezers.

Enfin, waar het vooral om gaat: Shirley Jackson, lees die vrouw! Geniet en huiver.