Je zendt een boek de wereld in…

Dit is een verkorte weergave van de online boekpresentatie van Oom Ludo op 1 augustus 2020.

De vorm van deze presentatie – online – werd uit nood geboren, maar heeft als voordeel dat hij veel makkelijker toegankelijk is voor mensen van buiten Nijmegen. En belangstellenden kunnen hem ook later nog terugkijken. Voordelen en nadelen; het is maar hoe je er tegenaan kijkt – en dat is in het geval van dit boek een vrij passend adagium. De rode draad is vandaag uiteraard het boek Oom Ludo. Een boekpresentatie is het moment dat je een boek aan de lezer presenteert, het moment waarop je het de wereld inzendt. En daarom zal ik ook stilstaan bij de wereld waar we in leven.

Oom Ludo moet af en toe een tijdje tot rust komen.

Oom Ludo werd ‘geboren’ op 10 september 2015. Het was in een tekst die ik in een opwelling schreef bij een foto op instagram. Ik schreef: “Oom Ludo moet af en toe een tijdje tot rust komen.” In de verhouding tussen de tekst en de foto, en in het tot rust komen, zit al de kern van het boek. De vrije associatie bij een beeld, die waarschijnlijk anders is dan wat vele anderen zouden denken bij die foto. Het tot rust komen: de afstand tot de wereld. En de figuur: een nu al wat zonderlinge Oom Ludo.

In de jaren die volgden figureerde Oom Ludo vaker bij foto’s – met als doel om de lezer iets zichtbaar te maken dat ertoe zou aanzetten opnieuw, met andere ogen, naar de foto te kijken.

Het werd mij gaandeweg duidelijk dat er meer verhaal in Oom Ludo school. Van enkel een spanningsveld tussen tekst en foto’s was de serie als geheel voor mij uitgegroeid tot een personage-onderzoek. Of zelfs tot het ontwikkelen van een eigen, bijzondere belevingswereld. Het idee voor een boek groeide in mijn hoofd.

Voor Oom Ludo was het hele leven één langgerekte sterfscène.

Bij deze foto was het onderschrift: Voor Oom Ludo was het hele leven één langgerekte sterfscène. Die zin vormde lange tijd de eerste zin van het boek. Bij de derde redactieronde gooide ik de openingsscène om en belandde de zin op een andere plek in dat hoofdstuk. Hij kon kenmerkend zijn voor Oom Ludo op een specifiek moment: het begin van het boek. Maar de zin was uiteindelijk niet helemaal de juiste toon om het boek mee van start te laten gaan. Te zwaar op de hand.

Er is ook een andere kant van Oom Ludo. Er is een creatieve, speelse Oom Ludo, die kansen ziet. Die even aan de teneur van de langgerekte sterfscène ontsnapt en de wereld anders ziet. Ik denk dat Ludo in ons collectief onderbewuste een passende naam is voor een oom. Of in ieder geval een bepaald type oom. Ludo verwijst naar de homo ludens, de spelende mens. De naam benadrukt het wat zorgeloze, onbevangen, experimenterende karakter.

En wat is een oom? Iemand die dichtbij staat, want het is familie. En gelijktijdig iemand die verder weg staat, buiten het eigen gezin, op een gepaste afstand.

Ik denk dus dat ik Oom Ludo niet helemaal zelf heb bedacht. Wie googled op ‘Oom Ludo’ vindt met een beetje moeite zo een stuk of wat boeken waar een oom met die naam in voorkomt. In een woordenboek trof ik als voorbeeldzin aan ‘Onze nonkel Ludo is gisteren begraven’. Toen ik dat ontdekte (het boek was toen vrijwel af) was ik daar eigenlijk heel blij mee – ik denk dat het betekent dat het inderdaad een herkenbaar, archetypisch personage is.

Ik heb het boek overigens ook niet helemaal alleen geschreven of uitgegeven. Ik wil graag Mel Lambers, mijn echtgenoot, en Nico Assinck hartelijk danken voor het proeflezen en hun redactionele commentaar. Dat was onmisbaar. Net als de minutieuze correctie van de tekst door Ineke de Leeuw.

Archetype – het is een term uit de psychologie die ook in de literatuurwetenschap veel gebruikt wordt. En met die term realiseerde ik me dat veel van de oom-ludo-commentaren niet alleen een creatieve, andere blik op de foto’s lieten zien, maar even zo vaak een element dat misschien niet op de voorgrond lag, maar wel al duidelijk in de foto’s aanwezig was.

Als voorbeeld deze foto

Oom Ludo voelde zich nooit zo op z’n gemak bij om het even welke samenscholing.

Die samenscholing is er al. Het ongemak ook, in de vorm van stinkende vuilnisbakken, en eventueel het herfstblad dat een zekere guurheid uitdrukt. De zogenaamde ‘andere’ blik was latent al aanwezig. Het commentaar doet een appèl op een onderstroom, basis emoties, en raakt het domein van dromen en angsten.

Een schrijver werkt heel veel met het onderbewuste. Vaak gebruikte termen daarbij zijn inspiratie of intuïtie. Als het goed is, werkt bij een schrijver het onderbewuste als bij een medium. Je maakt de wereld mee, direct of via alle media die ons ter beschikking staan, en de fictie-teksten die geschreven worden zijn daarna, via ons onderbewuste, altijd een weerslag van de tijdgeest. Het heeft zeggingskracht, juist in het tijdgewricht waar het in ontstaan is. De literatuur is relevant en interessant voor de lezer van nu.

Dat is natuurlijk niet altijd waar. Soms is de schrijver teveel opgesloten in zijn eigen gedachtewereld. Het werk kan prachtig zijn, maar het is erg hermetisch en slechts voor de enkele vasthoudende fijnproever interessant. Je kunt ook de andere kant op doorslaan: in wat je schrijft meteen aansluiten op de krantenkoppen van vandaag of de meest recente actualiteiten. Dat kan ook mooi zijn, maar is eerder journalistiek van aard. Het is vergankelijk als kranten en jaarboeken. Oud papier voor morgen.

Ik zoek de balans. Wat iedere schrijver van literatuur beoogt: zowel actueel als tijdloos zijn. Universele verhalen vertellen, geaard in de tijd waar ik in leef, voor een publiek van nu.

Ik sta stil bij dit proces omdat we nogal wat deining hebben gehad in de actualiteit. Eigenlijk wil ik aan die actualiteit niet al teveel woorden besteden… u en ik leven er elke dag mee. We kunnen het iedere dag op televisie zien en er dagelijks over lezen op social media.

Maar een aantal zaken voelt op dit moment te prangend en alom aanwezig om helemaal niets te zeggen over hoe ik mij verhoudt tot die actualiteit. En geen van die zaken is helemaal nieuw; de actualiteit is de afgelopen jaren langzaam aangezweld, en als het goed is, ook bewust of onbewust in Oom Ludo terecht gekomen.

Corona kan nieuw lijken, maar pandemieën zijn van alle tijden. Afstand, tot de wereld en tot andere mensen, is een belangrijk thema voor Oom Ludo. He thema sluit hier aan, maar de directe link is denk ik nog dun.

Black Lives Matter – Met de dood van George Floyd, en de protesten die sindsdien massaal zijn gevoerd, worden voor mij twee zaken extra zichtbaar. De totalitaire trekken van het Amerikaanse politie apparaat. En wijd verbreid maatschappelijke en systemische discriminatie en racisme. Naar de dood van George Floyd kijken we vooral binnen de context van de Amerikaanse maatschappij, die gedomineerd wordt door een Amerikaanse president die doelbewust de grenzen van de democratie tart en overschrijdt.

Maar in de context van de boekpresentatie vandaag kijk ik liever naar de situatie in Nederland. Hier hebben we een al jaren slepende discussie over zwarte piet. En er is bijvoorbeeld op de arbeidsmarkt en op de woningmarkt evident discriminatie.

Ik denk de laatste tijd regelmatig terug aan Mitch Henriquez. Hij werd in 2015 in Den Haag, na een muziekfestival, door twee agenten aangehouden en met een nekklem overmeesterd, waarna hij kwam te overlijden. Naar het incident werd onderzoek ingesteld en dit leidde ook deels tot veroordeling. Wat met Mitch Henriquez gebeurde illustreert voor mij dat we in Nederland ook geïnstitutionaliseerd racisme hebben. Gelukkig niet op de schaal zoals in Amerika (daar is alles groter en extremer), maar teveel om het te bagatelliseren. Er was in deze zaak wel vervolging en veroordeling, maar onze rechtspraak, met haar onderbezetting en stukloon, is kwetsbaar. En er is fnuikende systemische discriminatie in het Nederlandse systeem (als het niet bij sommige politiekorpsen is, dan wel bijvoorbeeld bij verkeerscontroles en de belastingdienst) die zich niet eenvoudig laat corrigeren.

Vanuit de blacklivesmatter beweging wordt een appèl gedaan om je uit te spreken, om niet zwijgend toe te kijken. Ik spreek me graag uit. Niet in de vorm van deelname aan demonstraties. Niet vluchtig op twitter. Wel in mijn werk.

Ik doe dat op mijn manier: met milder ironie over de multiculturele samenleving in De dundenker en ook in Oom Ludo, met een terloops maar felle oordeel over Van Heutz. En bij deze, door er aandacht aan te besteden in deze presentatie. Of het genoeg is mag u als lezer of toehoorder beoordelen.

Al deze overwegingen bij de actualiteit en de tijdgeest, roepen bij mij de vraag op: wat voor schrijver wil je zijn? En dat brengt me bij nog één onderwerp uit de actualiteit dat ik wil aanstippen. Afgelopen week deed ik namelijk mijn Harry Potter boeken de deur uit. Ik had geen zin meer om er tegenaan te kijken. Dat kwam omdat ik ze niet kon zien zonder herinnerd te worden aan de kwalijke en vrij fobische opvattingen en uitspraken van auteur J.K.Rowling over transseksualiteit.

Het is logisch dat het me raak – ik ben homo en mijn man is transman. Wie erg dol is op de boeken en minder of geen persoonlijke band met het onderwerp heeft, zal zich wellicht minder aantrekken van de uitspraken van de auteur. Voor mij viel de balans negatief uit. Maar naast dat ik mij persoonlijk betrokken voel bij het onderwerp, gaat dit ook over het schrijverschap. Want; wat voor schrijver wil je zijn?

JKR noemt zichzelf een medestander en een vriend van transseksuelen en iemand die zich goed heeft ingelezen… maar wat ze doet is zich stelselmatig uitspreken tegen transities en tegen het erkennen van de gender identiteit van transseksuelen. Ze is daarmee geen vriend of medestander. Ze is een internationaal zeer bekende auteur, wier woord ver reikt. En ze doet dat in een context waarin transseksuelen internationaal gezien een zeer kwetsbare groep zijn. Hulp en behandeling zijn duur of in het geheel niet voorhanden. Discriminatie en geweld liggen constant op de loer. Er gaat geen week voorbij of er worden transseksuelen om hun gender identiteit vermoord. Het aantal zelfmoorden onder transseksuelen (met name jongeren) is al jaren ongekend hoog. Dat is van belang, want dit is de context waarin JK Rowling haar uitspraken doet. Zij vindt het als wereldbefaamde auteur nodig om de kritische ‘medestander’ uit te hangen. Met dat soort vrienden heb je geen vijanden meer nodig.

Ook als je een fundamenteel andere mening hebt over wat gender is of hoe gender-identiteit werkt, mag je je afvragen: wat voor rol heb je als schrijver in deze wereld? Wat voor onderwerpen kaart je aan, binnen of buiten je werk?

Dat is de vraag die ik mijzelf stel: wat voor rol heb ik als schrijver in deze wereld. Daarbij is JKR in ieder geval niet mijn grote voorbeeld, dat moge duidelijk zijn. Een schrijver die ik bijvoorbeeld wèl bewonder is Ursula LeGuin. Zij laat in haar werk goed schrijverschap en engagement perfect samengaan.

in 2014 ontving zij de Medal for Distinguished Contribution to American Letters. Bij die gelegenheid sprak zij een dankwoord en zei ondermeer:

“. . . I think hard times are coming, when we will be wanting the voices of writers who can see alternatives to how we live now. Who can see through our fear-stricken society and its obsessive technologies to other ways of being, and even imagine some real grounds for hope. We will need writers who can remember freedom—poets, visionaries; the realists of a larger reality. (…) We live in capitalism; its power seems inescapable. So did the divine right of kings. Any human power can be resisted and changed by human beings. Resistance and change often begin in art, and very often in our art: the art of words.”

En zo dringt zich juist in deze periode de vraag aan mij op: wat voor boek wilde ik schrijven? Ik wilde een hoopvol en optimistisch boek schrijven. Het hoeft niet allemaal leuk en vrolijk te zijn, maar ik wil graag in alle polarisatie nuance bieden. Ik wil een andere, nieuwsgierige blik op de wereld bieden. Ik wil bij alle oordelen en meningen wat twijfel zaaien. Want twijfel en nieuwsgierigheid zijn belangrijk: het is de bron van alle wijsheid.

Ik wilde een boek schrijven om te lezen en te herlezen. Om ook na het wegleggen nog even over na te denken. Een troostrijk boek. Een boek dat even zou afleiden van de waan van de dag. Niet omdat het je verdooft of de wereld alleen maar laat vergeten, maar een boek waarna je als herboren die wereld weer tegemoet kan treden.

Ik zal eerlijk bekennen: dat maak ik natuurlijk niet voor iedere lezer waar. Maar voor mij is dit zo’n boek.

Dat gezegd hebbende, wil ik u langzaamaan meenemen van mijn beschouwingen bij onze dagelijkse werkelijkheid naar de werkelijkheid van Oom Ludo. Ik wil een paar dingen met u delen over de totstandkoming van het boek. Over de ontstaansgeschiedenis van het personage Oom Ludo heb ik het al gehad. Maar er is meer. Aan het begin van het boek kijkt Oom Ludo uit zijn raam naar een parkje. Dat parkje speelt bijna de eigenlijke hoofdrol in het boek.

Dat parkje is geïnspireerd op een bestaand park. In Santa Cruz de Tenerife ligt een stadspark van dat formaat, met veel kunstwerken en standbeelden en waterwerken. Met vogels en vlinders en planten uit alle windstreken. Met een spiraalvorming pad dat rechte paden doorkruist.

In het boek wordt dat parkje bedreigd (in het echt gelukkig niet) door de bouw van een flatgebouw.

Zoiets had ik voor ogen

Eerder liet ik mij al het woord ‘wereld’ ontvallen en ‘universum’. Fantasy en SciFi schrijvers kunnen met die termen lezen en schrijven. World-building – het creëren van een eigen, consistente, dramatische wereld is een vereiste bij die genres. Misschien komt het doordat ik ook veel fantasy heb gelezen en geschreven: dat ik in een boek een eigen werkelijkheid creëer, die geloofwaardig en consistent is, die een ‘sense of wonder’ opwekt. Dat is voor mij in ieder boek van belang.

En de wereld die ik schiep overstijgt dit boek. Ik denk niet dat al mijn boeken in precies dezelfde wereld spelen, zo analytisch wil ik er ook niet mee omgaan, maar in ieder geval blijkt dat personages soms uitstekend in meerdere verhalen een rol kunnen spelen.

Voor Oom Ludo had ik een architect nodig, die de gigantische torenflat die op de plek van dat parkje moest komen kon ontwerpen. Ik had nog ergens een architect:

Aegon Talmink in het toneelstuk Emoticon

In 2005 schreef ik het toneelstuk Emoticon (onder de titel Zij is buiten te lezen via de VvL); dat was een moderne hervertelling van het verhaal van Orestes. En in de eerste acte, een vrij klassieke griekse tragedie, werd de koningsrol gespeeld door een architect: Aegon Talmink. Ik speelde die rol zelf. Dat was van tevoren helemaal niet mijn bedoeling geweest, maar we hadden niet meteen iemand voor die rol kunnen vinden. Hij was zowel charmant als vilein. Vriendelijk, maar zeer dominant. Blijkbaar had ik dat als enige voorhanden acteur in mijn register.

Ik denk dat juist omdat ik die rol zelf had gespeeld, ik meteen wist dat toen ik voor Oom Ludo een architect nodig had, Aegon Talmink dat kon zijn. We zouden een andere kant van hem zien. Niet die van de wrede, dominante huisvader, maar die van de werkende architect, de (soort van) kunstenaar. Op zijn manier innemend en welwillend.

Ik had na dat toneelstuk nooit gedacht dat ik ooit nog wat met dat personage zou doen. Maar ineens was het moment daar. Een mooie bijrol voor de architect.

Met andere personages weet ik wel van tevoren dat ik er nog niet klaar mee ben. Voor het toneelstuk Nomaden bedacht ik de excentrieke kunstenaar Mandero Zeno. In mijn hoofd hoort Zeno in het rijtje Damien Hirst, Jeff Koons, Anish Kapoor, Banksy. Gek genoeg kende ik die kunstenaars nog niet allemaal toen ik hem bedacht. Ik had Christo en Warhol in mijn hoofd en dacht: ‘het kan veel gekker en veel, veel extremer’. Tegen de grens van het betamelijke. De grens van het mogelijke. De grens van het voorstelbare. Conceptueel en grensoverschrijdend.

In Nomaden wordt door de personages gespeculeerd dat hun hele verblijf en samenzijn een conceptueel kunstwerk van Zeno’s hand is. De kunstenaar zelf verschijnt niet ten tonele. Na dat stuk was ik niet klaar met Zeno. Hij speelde een paar jaar later een rol in een moordspel. Ik schreef het korte verhaal ‘De laatste vernissage’, waarin hij van zijn overlijden een kunstwerk maakt. Maar zelfs dat verhaal was niet het einde.

In het verhaal van Oom Ludo had ik een kunstexpositie nodig. In een boek dat mede gaat over hoe je naar de wereld kijkt, moest er voor mij ook naar kunst gekeken worden. En de oude beelden in het parkje, beelden uit de neoromantiek, waren niet genoeg. Daar moest iets aan moderne conceptuele kunst tegenover staan.

En daar was Mandero Zeno. Niet eens heel gepland. Hij was er ineens en wilde niet meer weg. En ik ontdekte nieuwe dingen over hem. Dat hij naar een witte muur kan staren alsof hij gelijktijdig de hele wereld ziet en de grote Nietzscheaanse afgrond instaart. En nog veel meer, maar dat mag u zelf ontdekken. Met Mandero Zeno ben ik denk ik ook na Oom Ludo nog niet klaar. Denk ik. De tijd zal het leren.

Het is aan u

Dit zijn maar twee bijrollen in de wereld van Oom Ludo. Er zijn er talloze, grote en kleine. Ik kan er nog veel meer over zeggen en vertellen, maar dat is meer het domein van een leesclub of een college literatuurwetenschap, dan voor een boekpresentatie.

Ik heb gezegd wat er ter introductie over te zeggen valt. Het is nu verder aan de lezer. Het is aan u.

p.s. linkjes om Oom Ludo te kopen staan hier.

Ver weg en toch dichtbij

Op zaterdag 1 augustus om 1 uur ’s middags is de presentatie van ‘Oom Ludo’. Het is, om het optimaal corornabestendig te houden, een online gebeuren. Iedereen is van harte welkom. Wie er bij wil zijn stuurt vooraf een mailtje naar hallo@franknorbertrieter.nl om zich aan te melden. Je krijgt dan 1 augustus ’s ochtends een mail met de uitnodiging voor de bijeenkomst in MS Teams.

Ik ga er eigenlijk vanuit dat veel mensen de afgelopen tijd al met MS Teams of een vergelijkbaar programma gewerkt hebben, maar voor wie dat nog niet heeft gedaan: het gebruik spreekt voor zich. Extra software is niet noodzakelijk, de link opent ook in je internetbrowser.

De presentatie duurt maximaal een uur. Het fysieke boek Oom Ludo is overigens nu al bestelbaar via leviathanboeken.nl en bij bol.com . Het e-book is vanaf 1 augustus verkrijgbaar bij alle reguliere e-book kanalen, zoals Kobo. Zodra er links zijn naar meer e-book verkooppunten, publiceer ik die in een volgende blogtekst.

Hoe je vertelt waar het eigenlijk over gaat

Het vertellen van een verhaal vraagt een bepaalde vorm. Het vertellen van het verhaal van Oom Ludo vraagt om een roman van ruim tweehonderd pagina’s. Daarnaast is er echter ook een verplichting om waar het verhaal over gaat te kunnen reproduceren in een paar zinnen.

Een uitgever weet dat een goede flaptekst, samenvatting, of ‘elevator pitch’, lezers kan verleiden. Ik ben toch wat meer een schrijver dan een uitgever. Een beetje kribbig denk ik soms ‘als je wilt weten waar het over gaat, moet je het boek lezen’. En ‘vraag me niet in een paar zinnen samen te vatten waar ik eigenlijk ruim 200 pagina’s voor nodig heb’.

Maar ik corrigeer mezelf: het is een ‘teaser’; een tipje van de sluier wordt opgelicht. Maar welk tipje? En hoe hoog?

Veel flapteksten gaan naar mijn smaak te ver. En in filmtrailers worden vaak de meest indrukwekkende beelden en de belangrijkste scènes getoond. Er is een stroming in marketingland die dat promoot: die zegt dat je helemaal niet meer hoeft te letten op het weggeven van zogenaamde spoilers en cruciale plotelementen. De moderne lezer wil namelijk helemaal niet meer verrast worden en wil niet meer onbevangen ervaren. De moderne lezer verzamelt ervaringen alsof het vakantiefoto’s zijn. Iets om over te vertellen als je weer thuis bent. Het zijn mensen die het niet om het beleven van het hier en nu gaat, maar die constant bezig zijn om ‘herinneringen voor later te maken’.

Ik herken me daar niet zo in, maar blijkbaar is dat in marketingland de perceptie van de tijdgeest. En in die lijn is het dus ook prima de hele plot en betekenis van een boek samen te vatten in de promotie en op de achterflap. Dat geeft namelijk extra duiding bij het lezen en versterkt het idee van de ervaring die je met het lezen ondergaat. En die je je achteraf wilt herinneren. De ervaring is daarbij tevoren dusdanig geframed dat het een ‘selffulfilling prophecy’ wordt. Een boek wordt daar beter van, om de eenvoudige reden dat er daardoor minder ruimte is er zelf iets van te vinden. Het risico dat het tegenvalt neemt af.

Zoals gezegd: deze trend past niet zo bij me. Ik ben meer iemand die boeken zelf wil ontdekken. Die vergeten schrijvers leest. Die net dat andere boek leest, dat vrijwel niemand anders gelezen heeft. Dat levert bij de promotie van mijn eigen werk duidelijk een dilemma op. Natuurlijk vind ik het fijn als mijn boeken door veel mensen gelezen worden. En gelijktijdig zit er een romanticus in mij die alleen voorzichtig wil verleiden en slechts een miniem tipje van de sluier wil oplichten. En die zodoende door maar enkele fijnproevers ontdekt zal worden.

Hierbij, voor de liefhebber, de achterflap. Ik zal ook nog wel een blog besteden aan de inhoud van het boek, maar dan wel voorzien van een ‘spoiler’ waarschuwing. Voor de zogenaamde moderne lezer…

De uitstraling van een boek dat je wil lezen

of De geboorte van een boekomslag

Als schrijver ben je geneigd te denken dat de titel van een boek een integraal onderdeel is van de tekst. Ik denk dat nog steeds, maar inmiddels weet ik dat er daarnaast nog een andere waarheid is. De titel van een boek is een onderdeel van de omslag van het boek en dus van de marketing en publicatie van het werk. Daarmee ligt het in het domein waar juist de uitgever iets over te zeggen heeft. Als het goed is, gebeurt de vaststelling in harmonieus overleg, maar uiteraard zal er vaak sprake zijn van enig dualisme. Dat geldt ook voor mij bij de uitgave van ‘Oom Ludo’ – als self-publisher met twee petten op. Je bent sterrenbeeld tweeling of je bent het niet.

Ik heb voor het Oom Ludo-project meerdere titels overwogen. Van heel kort ‘Park’ tot heel lang ‘De wonderbaarlijke reis van Oom Ludo of Het kijken naar de wereld.’ Als schrijver was mijn wensenlijstje relatief kort.

  • De titel moet passen bij het boek
  • Ik moet er ‘een goed gevoel’ bij hebben

Als uitgever wil ik daarnaast graag dat de titel, in combinatie met de omslag, de juiste uitstraling heeft.

  • Het moet de juiste doelgroep aanspreken
  • Het moet de juiste associaties oproepen
  • Je moet de titel makkelijk kunnen onthouden
  • Het moet goed ‘klinken’ als je het uitspreekt
  • Het moet visueel mooi op de kaft vallen
  • Het moet onderscheidend zijn, en dus niet teveel lijken op andere titels
  • En dat laatste geldt ook voor het zoeken op internet: het moet een min of meer unieke zoekterm zijn

Dit leverde een paar probeersels op.

Ik vroeg feedback in mijn omgeving en dat scherpte mijn gedachten.

De eerste omslag was een poging om het boek een ‘literair’ uiterlijk te geven met een gestileerde kaft en een klassiek, stijlvol, bijna gedistingeerd font. Het werd nog net niet ‘ambo klassiek’. Deze versie vind ik nog te rommelig ogen, maar is wel mijn persoonlijke smaak. Met een beetje er aan verder werken had ik hem zelf prachtig gevonden. Maar de titel vond ik net iets te generiek geworden. Van Kaas tot Birk; zo’n éénlettergrepige titel kan prima werken, maar hij zegt niet zo heel veel. In combinatie met zo’n klassieke letter wordt de uitstraling wat belegen, of in ieder geval wat te ingehouden. Dat past nog wel bij de Oom Ludo aan het begin van het boek (iemand die hele dagen voor zijn raam zit en naar de stad kijkt), maar niet bij het boek zelf: dat gaat toch over het ‘naar buiten treden, de wereld in’. Ik zocht een frissere of speelsere titel.

De tweede poging had dat laatste wel, maar vloog ook meteen uit de bocht. De letter is speels, en wordt vaker gebruikt voor romans met een wat luchtigere ondertoon. Wat ik zocht was een omslag die (qua gevoel) ook een roman van Paulien Cornelissen had kunnen zijn. Maar dat was dit niet. Het werd visueel teveel een kinderboek. De lange titel werkte toch wat minder goed dan ik in eerste instantie dacht. ‘Het kijken naar de wereld’ drukt inhoudelijk juist iets statisch uit, terwijl de titel ook een beetje ritme mag hebben.

De derde poging waagde ik om even iets heel anders te proberen. Inhoudelijk lijkt het in eerste instantie het verhaal van het boek goed te vertellen. Een parkje licht ingeklemd, of zelfs bedreigd, in de oprukkende stad. Maar het voelt niet als dit boek. De foto suggereert misschien ook wel non-fictie. Het zou ook een waargebeurd verhaal kunnen zijn over een au pair in Singapore. Of zo.

Met zowel titel als omslag ging ik terug naar de tekentafel. Iets met een parkje. Een roman. De juiste toon. De juiste lading. Die gestileerde boompjes vond ik leuk. Eenvoudigweg ‘Oom Ludo’ had ik lange tijd gebruikt als werktitel. Eigenlijk voldeed dat aan alle criteria die ik mijzelf als schrijver en als uitgever gesteld had.

De definitieve omslag voor Oom Ludo in wording

Dit is hem voor nu. Helemaal af is hij nog niet: de achterkant mist nog wat elementen, zoals een biografietje van mijzelf (een van de ingewikkeldste dingen om te schrijven, vind ik) en de obligatie auteursfoto, de streepjescode et cetera.

Als schrijver ben ik wel blij met het eindresultaat. En als uitgever hoop ik dat mijn potentiële lezers zullen denken ‘dat oogt als een boek dat ik wel zou willen lezen’.

De langverwachte komst van Oom Ludo

Het begon met een foto op instagram (hier): een gebarricadeerde deur met als onderschrift ‘Oom Ludo moet af en toe een tijdje tot rust komen.’ Dat was de eerste van een serie foto’s met een onderschrift waarin de foto werd geïnterpreteerd door de ogen van iemand die net iets anders kijkt naar de wereld dan andere mensen. #oomludo Soms was het onbegrijpelijk, soms grappig, maar in alle gevallen liet het de lezer nogmaals – met een andere interpretatie – naar de foto kijken. Naar mate de fotoreeks groeide kreeg de illustere Oom Ludo langzaam vorm in mijn hoofd.

Twee en een half jaar geleden begon ik aan ‘het boek’ over Oom Ludo en inmiddels is het af. Er is aan geschreven en herschreven. Mel en Nico hebben geredigeerd en Ineke heeft minutieus gecorrigeerd. Daarmee is het hermetische en zolderkamer-deel van het werk gedaan en vandaag begint het proces van naar-buiten-treden. Net als een aantal eerdere werken verschijnt het bij mijn huisuitgeverij onder het label ‘Leviathan’. Het aftellen naar de verschijning begint vandaag, ook al is de exacte datum nog niet geprikt (ergens in de zomer). Ik zal de komende tijd via dit blog verslag doen van alle voorbereidingen en de vorderingen. Dit is mijn to-do lijstje voor de komende tijd;

  • besluit nemen over de titel, vooralsnog ‘Oom Ludo’
  • opmaak binnenwerk en omslag
  • definitieve versie flaptekst ed
  • auteursfoto
  • correctie drukproef
  • persberichten en leaflet/samples maken
  • website klaarmaken
  • voorverkoop starten
  • audioboek-plan maken
  • booktrailer maken
  • plan voor marketing per kanaal uitwerken
  • mogelijkheid pop up store onderzoeken
  • ebook maken + distributie (smashwords)
  • nieuwsbrief / start voorverkoop
  • naar de drukker
  • voorinschrijving sluiten
  • besluit over exacte vorm boekpresentatie (coronaproof)
  • persbericht verzenden
  • boek van drukker terug
  • verzenden presentie- en recensie-exemplaren
  • verzenden voorinschrijvingen
  • boekpresentatie
  • marketingplan uitvoeren

Ben ik nog iets vergeten?

Bureaucratie, romantiek en het kijken naar de wereld

Er zitten weer leuke zaken in de pen. Hierbij drie projecten die dit jaar op stapel staan.

De strijdlustige en schijnbaar onvermoeibare Jac Splinter brengt onder de titel “Ja maar meneer ik doe ook maar mijn werk” Het Grote Bureaucratie Vakantieboek uit. Het wordt een boek met een-derde serieuze zaken over bureaucratie, en twee-derde satire en spelletjes. In die laatste categorie schreef ik voor deze uitgave een kort verhaal ‘Het formulier’ en een stuk interactieve fictie in de stijl van de ‘kies je eigen avontuur’ boeken. Meer nieuws over de boekpresentatie (verwacht in april) volgt te zijner tijd, maar bestellen kan nu al bij Jac.

Ik werk op dit moment aan de vertaling van de verzamelde prozagedichten van Clark Ashton Smith (1893-1961). Voor velen is hij wellicht een onbekende. Clark Ashton Smith was schrijver, dichter en beeldhouwer. Als dichter kreeg hij al vroeg erkenning, mede door lof van de dichter George Sterling. Smith wordt gerekend tot de West Coast Romantics naast onder andere Joaquin Miller en Nora May French. Hij wordt ook wel bestempeld als ‘The Last of the Great Romantics’. Als schrijver van korte prozaverhalen was Smith een van “de grote drie” rond het blad Weird Tales, samen met Robert E. Howard en H. P. Lovecraft. Smiths fantasy en science fiction werk werd alom geprezen door zijn collega’s en critici. Zijn werk wordt gekenmerkt door een buitengewoon rijke en sierlijke vocabulaire, een kosmisch perspectief en een zweem van sardonische humor. Alledrie die ingrediënten zijn terug te vinden in zijn prozagedichten. In de komende weken zal ik een paar blogs schrijven over de voortgang van dit project en een paar voorproefjes publiceren.

Schrijf je nog wel eens wat?’ vragen mensen me weleens. Jazeker! Afgelopen jaar schreef ik de broodtekst van een groots en meeslepend werk over Oom Ludo. Met mijn vrij bondige stijl is dat netjes 60k aan woorden of ruim 200 pagina’s. Romandikte zeg maar. Wie me op facebook of instagram volgt heeft al eens foto’s met de #oomludo gezien. Dat zijn eigenlijk karakterstudies: een manier om uit te zoeken hoe Oom Ludo naar de wereld kijkt. Waar het boek over gaat?

Oom Ludo kijkt dagelijks uit op een parkje. Op een dag staat er een bord dat er een torenflat wordt gebouwd. Dit brengt hem in beweging: hij gaat op onderzoek uit en organiseert op geheel eigen wijze verzet…

De werktitel is Parkzicht. Het kan ook nog ‘ Het parkje van de windstreken’ worden, of misschien wel ‘De avonturen van Oom Ludo of Het kijken naar de wereld’. Het werk zit in de redigeerfase en ik hoop komende maanden de plannen voor publicatie te kunnen presenteren.

Wat in de pen zit

 

Soms is het een tijdje stil op mijn website. Weinig nieuws of voortgang. Maar dat betekend niet dat er niets gebeurt. Ik schrijf sinds de publicatie van De Dundenker aan mijn volgende roman. Sinds januari van dit jaar heb ik het schrijfritme goed hervat en inmiddels is de broodtekst af. Het is nog net wat te vroeg voor een korte inhoud of fragment. Wordt vervolgd…

Een nieuw theaterproject staat op dit moment nog even niet gepland. Dat laat tijd voor andere leuke dingen, zoals het geven van een schrijfcursus. Samen met Mel, die al mijn teksten met nauwgezette blik redigeert, begeleiden we in tien bijeenkomsten een kleine groep deelnemers bij het schrijven aan ‘hun project’ dat het verdient om gelezen te worden. Lijkt het je leuk om mee te doen, lees er alles over; https://franknorbertrieter.wordpress.com/workshop/schrijven-om-gelezen-te-worden/

 

Hoe ik beter leerde schrijven

20180312_175754

In het kielzog van mijn aantekeningen over kwaliteit wilde ik ingaan op het verschil tussen literatuur en lectuur, en de vraag of de kwaliteit van die twee bloedgroepen verschillend gemeten zou moeten worden. Jack Schlimazlnik meent van wel (zie hier) maar terwijl ik dat stuk doorlas taande de zin om er veel woorden aan vuil te maken. Wat er over te zeggen valt staat daar al, terwijl gelijktijdig in de discussie over de Harland Boekenprijs juist benadrukt mag worden dat het niet om dat verschil gaat. Wat juist interessant is om te bespreken is niet ‘hoe literair genreverhalen moeten of mogen zijn’, maar wat je verwacht aan kwaliteit. Niet ‘hoe worden ze literair’, maar hoe worden ze ‘hoe dan ook beter’.

Wat me in het stuk van Jack het meest raak is de volgende alinea;

Al enkele jaren loop ik ertegenaan dat ik meer naar het literaire wil. Ik weet niet hoe ik dat moet aanpakken als ik in het genre wil blijven (ik wil geen literair met een vleugje genre schrijven). Mijn verhalen die die richting op gaan, worden niet goed ontvangen bij wedstrijden en krijgen daar geen verbeterpunten waar ik iets mee kan, ik ken bij de genre-uitgeverijen geen redacteuren die dit zouden kunnen ondersteunen en ook bij degenen die zich als redacteur of schrijfcoach en dergelijke aanbieden zie ik die kwaliteiten niet of onvoldoende naar voren komen. Zeggen dat ik bagger schrijf, zie ik dus als een open deur. Vertel me liever hoe het beter kan: bekijk een verhaal dat ik als literatuur heb bedoeld en vertel me hoe het literair beter kan, leg het niet tegen de maatstaf van de lectuur. Maar hou ook in het oog dat het genre is, aan mensen van buiten het genre heb ik daarom niet zoveel.

Ik herken dat heel erg. Ik heb nooit tegen mezelf gezegd; ik wil literairder schrijven, maar merkte van meet af aan dat als ik beter wilde schrijven ik mijn leerervaring buiten het de fantasy, horror en scifi moest zoeken. Inderdaad: omdat op dat punt het veld in Nederland niet zoveel te bieden heeft. En ik ontdekte dat veel wat literair genoemd wordt leidt tot betere verhalen. Ik schreef twee jaar terug al een blog ‘Hoe ik leerde schrijven’. Ik ben nog lang niet uitgeleerd, en kan nog wel een aantal daaraan toevoegen die ik deed en leerde;

  • De werking van drama; met name met dank aan cursussen theaterschrijven die ik volgde. Ik sta er iedere keer versteld van dat genreschrijvers een opbouw of perspectief kiezen die het dramatische van een situatie onderbelicht laat of zelfs onderuit haalt. Drama (en de herkenning daarvan door de lezer) is in het onderbewuste van de lezer vaak de stuwende kracht om door te willen lezen. Het is het voelen van de pijn van de personages. Het geeft de noodzaak tot handelen. Geen verhaal kan zonder drama.
  • Taal en stijl; ik schreef een reeks verhalen in een middeleeuwse wereld, met gebruik van veel archaïsche en Middelnederlandse woorden. Feedback was: daardoor leest het stroef en komt het stoffig en oubollig over. Ik heb veel geschaafd aan die stijl. Ik was ervan overtuigd dat het mogelijk is om verhalen de Oudhollandse snit mee te geven en toch leesbaarheid en frisheid te behouden. Ik schreef en herschreef. Ik las oude en nieuwe boeken in die stijl, met name oude vertalingen van Sir Walter Scott en Boccaccio. Ik schreef een Toonder-hommage om zijn stijl beter te doorgronden. En dat was alleen voor deze serie verhalen, omdat ik daarvoor die stijl in de vingers wilde krijgen.
  • Haakjes en ‘Cleanen’ – ik leerde dit door de jaren heen van al mijn redacteurs en schrijfdocenten. Waar blijft de lezer even aan ‘haken’; wat is niet duidelijk of tegenstrijdig? Welke woorden, zinnen of alinea’s kunnen weg terwijl het verhaal behouden blijft? Die moeten dan ook weg, want daar wordt het verhaal krachtiger, duidelijker en beter van.
  • Vertalen en lezen in parallelvertaling; ik werk onregelmatig aan het vertalen van de prozagedichten van Clark Ashton Smith. Ik lees Engelse werken indien mogelijk parallel in het Nederlands. De keuzes die bij vertalen gemaakt moeten worden maken mijn eigen schrijven beter. Ze dwingen tot nadenken over de betekenis en plaatsing van ieder woord.

En dit zijn geen zaken die specifiek over ‘literair schrijven’ gaan. Er zijn kenmerken die in mijn beleving vrij goed kunnen ontbreken in genreboeken zonder afbreuk te doen aan de kwaliteit. Ik heb het dan met name over gelaagdheid en Intertekstualiteit (ik ben er dol op). Iets anders waar ik vooral literaire redacteurs en uitgevers over hoor is ‘noodzakelijkheid’. ‘Je kon voelen dat dit boek echt geschreven moest worden.’ Zo’n uitspraak ben ik over genreboeken nog nooit tegengekomen. In het grensgebied kom ik zaken tegen als complexiteit en ‘thematische diepgang’. Ik denk dat daarover het laatste worden nog niet gezegd is. De jury van de Harland Awards noem die termen in één adem met ‘ambitieniveau’, terwijl er ook veel mensen in het veld zijn die daar niet mee willen worden lastig gevallen. Voor hen is genreschrijven nu eenmaal lectuur en ze vinden dat prima.

Ondertussen zitten schrijvers zoals Jack en ik er een beetje tussenin. Met veel liefde voor genreschrijven, èn de ambitie om daarbij literaire kwaliteit af te leveren (wat dat dan ook precies moge zijn). Het kan een eigen niche worden. Is het wachten op de eerste uitgeverij die na ‘literaire trillers’ ook ‘literaire fantasy’ of ‘literaire science fiction’ in de markt gaat zetten? Dan hebben we in ieder geval een marketing term. Maar het zorgt nog niet voor meer begrip of inzicht in wat kwaliteit is en waar de toetssteen daarvoor voor literatuur of lectuur eigenlijk gelijk is.

Een paar aantekeningen over kwaliteit

Na de polemiek rondom de niet-uitreiking van de Harland Award Boekprijs is één van de vragen die beter beantwoord moet worden; wat verstaan we onder kwaliteit? Peter Kaptein zette een heldere opsomming op facebook, die redelijk goed weergeeft wat er meestal onder verstaan wordt. Jack Schlimazlnik schreef er een blog over. Vandaag ga ik met name op Peter in.

Wat van belang is bij de probleemanalyse (zie ook mijn recapitulatie daarvan) is dat de jury van de Boekprijs expliciet aangaf dat het er niet om ging dat de genomineerde werken ‘niet literair genoeg’ zouden zijn, maar dat het ontbrak aan basiskwaliteiten die je van ieder boek mag verwachten.

Ze noemen met name (bron);

  • Stijl
  • Thematische diepgang
  • Originaliteit
  • Uitdieping van personages

Als ik die vier punten naast het lijstje van Peter Kaptijn leg, valt direct op dat ‘thematische diepgang’ mist. Wat mijzelf de afgelopen jaren is opgevallen bij het lezen is dat zowel boeken als korte verhalen vaak geen heldere premisse hebben en daardoor focus en overtuigingskracht missen. Ik denk dat daar het fundament voor de thematische diepgang gelegd kan worden. Tijdens het ronde-tafel-gesprek op de Dag van het Fantastische Boek werd ook stil gestaan bij het gebrek aan redactie en begeleiding. Redactie is meer dan een grondige correctie. Een goede redacteur daagt uit en stelt de belangrijkste kritische vraag: wat wil je eigenlijk zeggen met je verhaal? Wel verhaal wil je eigenlijk vertellen?

Wat verder opvalt is het woordje ‘uitdieping’ bij personages. Er is (blijkbaar) meer nodig dan dat personages alleen maar ‘geloofwaardig’ zijn. Peter Kaptein geeft een hele opsomming van vragen die daarmee samenhangen, en ik vind dit over het algemeen geen zwak punt van de hedendaagse genreschrijvers (waarbij ik moet opmerking dat ik de boeken op de shortlist niet heb gelezen), dus dit vraagt om wat nader onderzoek, of wat nadere toelichting van één of meer mensen van de jury. (Dave Cobben, Isabel Hoving, Auke Hulst, Eva Koreman, Renée Vink).

Het lastige van Stijl is dat het een containerterm is. Peter Kaptein noemt als eerste ‘Hoe lopen de zinnen?’. Ik denk zelf als eerste aan wat Bukowski er over schreef. Het is veel meer dan een nette grammatica en propere syntaxis. Het is het opzoeken van de grenzen daarvan. Het is het maken van bewuste keuzes die passend zijn voor juist het verhaal waar je aan werkt. Het zijn de stijlkeuzes die de eigen stem en originaliteit optimaal laten uitkomen. Stijl is geen canvas of bouwblok, stijl is hoe je je kwast vasthoudt.

Tot slot is er nog wel een begrip dat van mij wat vaker in het discours gebruikt zou mogen worden; aptum. Ik kan zo snel geen echt goede omschrijving vinden; al komt deze in de buurt. Ik gebruik de term zelf als ‘het evenwicht tussen alle elementen’. Alle genoemde zaken moeten met elkaar in overeenstemming zijn en elkaar versterken.

Het gesprek over kwaliteit is nooit af; dit zijn mijn hersenspinsels voor vandaag. Wordt vervolgd.